JUICHEN
IN DE ELLENDE
“14 Daarginds verheft men zijn stem en jubelt; over de majesteit
des Heren juicht men van de zee af. 15 Eert
daarom de Here in de streken des lichts; in de kustlanden der zee de naam
van de Here, de God van Israel. 16 Van de zoom der aarde horen wij psalmen:
heerlijkheid voor de rechtvaardige. Maar ik zeg: Verloren, verloren ben ik,
wee mij! Verraders plegen verraad, ja, verraders handelen verraderlijk.” (Jesaja
24:14-16)
Als
we hoofdstuk 24 van de profetieën van Jesaja doorlezen, is dit vers volkomen
in strijd met wat er verder in dit hoofdstuk staat. De aarde wordt
onderstboven gekeerd, barst open, de mensen komen om en er blijven maar weinig
stervelingen over. En dan is er toch een plaats waar men jubelt en juicht.
Het
is kenmerkend voor de profetieën in de Bijbel, dat overal waar het oordeel
wordt aangekondigd – en dat moet helaas heel dikwijls gebeuren – er meteen
ook sprake is van verlossing en redding.
Als
er ooit sprake is van zware oordelen, dan wel in Jesaja 24. Het woord dat hier
in de grondtekst staat kan ook vertaald worden door ‘land’, maar de
beschreven gebeurtenissen slaan duidelijk op meer dan plaatselijke of
landelijke rampen. In de geschiedenis zijn er meermalen rampen geweest, die in
de Bijbel worden beschreven en aangekondigd in en voor een bepaald land, die
ook wereldwijd grote invloed hebben gehad. Tijdens de uittocht uit Egypte en
de intocht in het beloofde land gebeurden er niet alleen in die plaatsen
natuurlijke rampen, maar ook op vele andere plaatsen op aarde.
De
grootste ramp die de Bijbel beschrijft is wel de zondvloed, maar ook veel
eerder zijn er grote rampen geweest, die de hele planeet aarde betroffen en
waar overal nog de gevolgen van gevonden worden. De Bijbel begint met “Ïn
den beginne schiep God hemel en aarde”. Wanneer dat was weten we niet.
Het volgende vers vertelt dat de aarde woest en leeg was (geworden). Dat moet
ook het gevolg geweest zijn van een grote ramp en we weten ook niet hoe lang
de aarde woest en leeg geweest is.
Jesaja
24 wijst op wereldwijde rampzalige gebeurtenissen en er is meermalen op
gespeculeerd wanneer dit zou plaatsvinden.
Zelfs
de huidige maand mei is genoemd in verband met de stand van de planeten. Er
zijn gelovigen die het noemen van een bepaalde tijd meteen afwijzen of zelfs
belachelijk maken, maar de oordelen die de Bijbel beschrijft in Oude en
Nieuwe Testament zijn nog lang niet allemaal gebeurd. We moeten er dus op
rekenen dat die gebeurtenissen nog zullen komen en daar oordelen altijd het
gevolg zijn van de zonden van het volk, is het noodzakelijk op de tekenen van
de tijd te letten. Die kunnen ons namelijk duidelijke aanwijzingen geven over
de mogelijkheid dat het in onze tijd gaat gebeuren.
We
leven in de dagen van de grote afval, we leven in een tijd van geweld, het is
een tijd van wetteloosheid wat Gods wetten betreft. Dat is niet de eerste keer
in de geschiedenis, maar de geschiedenis leert ons wel dat in tijden van
verval van de moraal het schijnbaar (economisch) erg goed gaat, maar dat
zo’n periode van geestelijke en morele achteruitgang altijd aan de ondergang
van de betreffende beschaving voorafging.
Goddelijk
ingrijpen in de geschiedenis wordt wel symbolisch voorgesteld als grote
natuurrampen, maar dat ingrijpen kan ook tot stand komen door natuurrampen. We
weten niet precies wat er gebeurde toen Jozua de zon en de maan opriep tot
stilstand, waardoor die dag bijna twee dagen duurde, maar we zijn er wel zeker
van dat dit overal op aarde gevolgen heeft gehad.
De
toestand in de wereld en in ons eigen land is moreel zo, dat velen zich
ongerust maken, terwijl er slechts weinigen zijn die protesteren en tegen de
stroom in willen gaan. Er zijn maar weinigen die zich willen inzetten voor de
bestrijding van abortus en euthanasie. Tegen (zinloos) geweld komen alleen
grote protestacties als dit geweld leidt tot de dood van onschuldigen, maar de
velen die geestelijk en lichamelijk gewond raken door ditzelfde geweld krijgen
nauwelijks aandacht en ondertussen gaat dat geweld gewoon door, want de leus
is “Vrijheid”, je mag doen wat je wilt en ieder mens is zijn of haar eigen
autoriteit. Gezag wordt niet erkend en we erkennen alleen mensenrechten
zonder ons te realiseren dat rechten verkrijgen berust op plichten nakomen. Zo
krijgen misdadigers allerlei verzorging en begeleiding, terwijl hun
slachtoffers maar moeten afwachten of hun ook recht wordt gedaan.
Als
gelovigen mogen we weten dat onze hemelse Vader recht zal doen aan zijn
kinderen en zijn volk. We zien daar naar uit en we verlangen er naar.
Ondertussen mogen we ook getuigen van Gods grote plan van herstel van de
schepping. Onze Here Jezus heeft door zijn dood en opstanding het herstel van
Israël mogelijk gemaakt en via zijn volk zullen alle volken gezegend worden,
die Hem erkennen als Messias en Heer. Zij zullen Hem moeten erkennen, maar Hij
wil graag dat wij Hem vrijwillig erkennen en dienen. Dan zullen we zonen Gods
worden en medeerfgenamen.
G.
van der Laan
Het
gaat over Israël 7
Jozua
Onder
Jozua trekt het volk Israël het beloofde land binnen om het in bezit te
nemen.(Joz.1:11). De omvang van het land zoals beloofd in Gen.15:18 heeft het
echter nooit bereikt. Dat is dus nog toekomst. In Deuteronomium 7 wordt
uitvoerig beschreven hoe zij zich dienden op te stellen tegen de bewoners van
het land; hen verdrijven, met de ban slaan, uitroeien, geen verbond sluiten en
alles wat met hun godsdienst te maken heeft vernietigen. En als zij doen
zoals God hun had opgedragen, zal Hij hen daarbij steunen (Deut.19:1) 1)
. Dat het volk de opdracht maar voor een deel heeft uitgevoerd is een trieste
aangelegenheid, die ernstige gevolgen heeft gehad voor het verloop van de
geschiedenis van Israël.
Tijdens
het bewind van Jozua diende het volk de HERE, maar na zijn dood deed 'Israël
wat kwaad is in de ogen des HEREN" (Richt.2:11). Want '...na hen
kwam een ander geslacht dat de HERE niet kende, noch het werk dat Hij voor
Israël gedaan had' (Richt.2:10). Oorzaak: het volk had verzuimd 'de
grote daden des Heren' door te geven aan het nageslacht, zoals hun met
grote nadruk was opgedragen (Deut.4:9;10; 6:7; 32:46; Joz.4:6). En het volk
diende de Baäls en de Astartes (Richt.2:12,13; 8:33,34). (Baäl en Astarte
waren de algemene namen voor de mannelijke en vrouwelijke vruchtbaarheidsgoden.
Astarte komen wij later nog tegen als "de koningin des hemels" in
Jer.7:18 en 44:17) 2).
'Dan
ontbrandde de toorn des HEREN tegen Israël; Hij gaf hen in de macht van
plunderaars, die hen uitplunderden, en Hij gaf hen over in de macht van hun
vijanden rondom hen, zodat zij niet meer tegen dezen konden stand houden' (Richt.2:14).
Maar
steeds weer zorgde God voor richters, die het volk tot de orde riepen. Tot het
opnieuw tot afgoderij verviel. Jozua wordt beschouwd als eerste richter en
Samuël, de profeet des HEREN (1 Sam.3:20), als laatste. In een periode van
ongeveer 450 jaren (Hand.13:20) traden veertien richters op.
Samuël
Samuël
stelde zijn beide zoons Joël en Abia als zijn opvolgers aan (1 Sam.8:1,2).
Maar zij werden door het volk niet geaccepteerd wegens hun wangedrag
(winstbejag (1 Sam.8:3). Daarom vraagt het volk een koning om hen 'te richten
als bij alle andere volken' (l Sam.8:5). En hiermee verwierpen de Israëlieten
hun God als Koning (1 Sam.8:7). Toch geeft God Samuël de opdracht naar het
volk te luisteren (:9) maar hen wel zeer ernstig te waarschuwen voor de
gevolgen (:10-18). Zou God dan zo ineens van “gedachten” zijn veranderd?
Integendeel. God had voorzien dat Israël eens een aardse koning zou wensen (Deut.17:14-20)
3). Alle waarschuwingen ten spijt blijft het volk bij het eens
genomen besluit en opnieuw zegt God tegen Samuël naar het volk te luisteren.
Daarop “aanvaardt” God zijn verwerping en geeft Samuël de opdracht een
koning aan te stellen (1 Sam.8:22). Maar Israël blijft Zijn Koninkrijk en de
troon de troon des HEREN (1 Kron.17:14; 29:23). Hij alleen kan het kwaad
ombuigen tot heil van het volk.
Saul
Hoewel
de koning zoals voorzegd in
Gen.49:10 - uit de stam Juda zou voortkomen, zalft Samuël Saul uit de stam
Benjamin tot koning over Israël (1 Sam.9:15-17; 10:1,17-25). Zijn regering
kunnen wij dus beschouwen als een interim-regering.
Saul
is menselijkerwijs gesproken een goede koning geweest en een zeer dapper man
(1 Sam.14:47-48) en zeker geen mislukking zoals wel eens wordt gedacht.
Toch is gebleken dat hij niet de ware plaatsbekleder van God op aarde was.
Reeds na twee jaren regering overtreedt Saul de geboden en wordt hem
aangezegd dat zijn koningschap niet bestendig zal zijn (1 Sam.13:9-14).
Als
een aantal jaren later de Filistijnen zich verzamelen om tegen Israël een
veldtocht te ondernemen, wordt Saul bevreesd en vraagt de HERE om raad, “maar
de HERE antwoordde hem niet” (1Sam.28:6). Dan neemt Saul zijn toevlucht
tot het raadplegen van een waarzegster (1 Sam.28). Dat is nu iets wat de God
van Israël uitdrukkelijk heeft verboden (Lev.19:31; 20:27; Deut.18:10-12; 1 Sam.28:3;
2 Kon.23:24; Jes.8:19).
Na
een veertigjarige regering is Sauls einde zelfmoord (1 Sam.31:4; 1 Kron.10:4).
“Zo stierf Saul, omdat hij de HERE ontrouw geweest was ja, zelfs de geest
van een dode ondervraagd had” (1 Kron.10:13). En zeer veelzeggend
staat er in 1 Kron.10:14: “Daarom doodde Hij hem en deed het koningschap
overgaan op David de zoon van Isaï.”
David
Nog
voor de dood van Saul wordt David uit de stam Juda (Gen.49:10; Matth.1:2-6; 1
Kron.2:3-16) door Samuël gezalfd tot koning over Israël (1 Sam.16:12,13). Na
Sauls einde wordt David gezalfd door de mannen van Juda (2 Sam.2:4). Hij
regeerde te Hebron over Juda zeven jaar en zes maanden (2 Sam.2:11). Het
overige deel van Israël werd geregeerd door Sauls zoon Isboseth, die door
Abner – legeroverste van Saul– tot koning was gemaakt (2 Sam.2:8-10). Dat
betekende burgeroorlog. Maar “gaandeweg werd het huis van David sterker
en het huis van Saul gaandeweg zwakker” (2 Sam.3:1).
Aan
de levens van Isboseth en Abner komt een einde door moord (2 Sam.4:7; 3:27).
Dit wel zeer tegen de wil van David (2 Sam.4:9 ev; 3:28 ev), vooral
waarschijnlijk omdat Abner de bedoeling had de noordelijke stammen in Davids
handen te spelen en hij hiervan op de hoogte was.
Is
dit nu alles wel zo belangrijk om te weten? de ene onverkwikkelijke
gebeurtenis na de andere... Als wij echter geloven dat in de Bijbel God tot
ons spreekt zullen wij om deze geschiedenissen niet heen kunnen.
Menselijke
geschiedschrijvers verdoezelen nog al te vaak situaties, die hen niet
aanstaan. Van objectieve geschiedschrijving is dan geen sprake. De God van
Israël laat de werkelijkheid, de waarheid zen zonder enige terughoudendheid
en ook zonder aanzien des persoons. Daarvan vinden wij in de geschiedenis van
Israël veel voorbeelden. Hoe wij er ook over mogen denken; God wil de mensen
inzicht geven in Zijn plan tot redding van de gehele mensheid. En in dat plan
heeft elke gebeurtenis in de Bijbel beschreven zijn eigen plaats en
betekenis of wij dat nu begrijpen of niet.
1)
Een merkwaardige tekst in Deut.7:22: “De HERE, uw God, zal die volken
langzamerhand voor u uitdrijven; gij zult hen niet in korte tijd mogen
vernietigen, opdat het wild gedierte u niet te talrijk worde”.
2)
De godsdienst van Israël was niet zoals bij de heidenen op de natuur gericht,
maar op de geschiedenis en Gods handelen daarin.
3)
Voor de poging van Abimelech om
een koninkrijk te stichten zie Richteren 9.
J.Alberts
Algemene
Jaarvergadering van de Bond Nederlands Israël.
De
leden van de BNI hebben een brief met de agenda voor de Algemne
Ledenvergadering van 27 mei a.s. ontvangen. Helaas ontbraken daar een paar
punten aan , waar het gaat over enkele belangrijke voorstellen van het
Bondsbestuur betreffende het opheffen van de BNI. Daarover is reeds een aparte
ledenvergadering gehouden, die echter niet tot een besluit kon komen wegens
een te geringe opkomst. We laten het betreffende punt van de Agenda hier
volledig volgen.
6. Voorstellen:
a.
Opheffing van de Bond Nederlands Israël.
b.
Overdracht van de baten en lasten, zaken en verplichtingen van de Bond
Nederlands Israël aan de Stichting "Nederlands Israël".
Ter
informatie van de leden volgen hier de artikelen 1 t/m 3 van de Statuten der
Stichting:
A.
NAAM EN ZETEL.
Artikel
1.
1.
Er is een STICHTING "NEDERLANDS ISRAËL", zonder winstoogmerk,
gevestigd te Woerden, hierna te noemen: de stichting.
B.
GRONDSLAG EN DOEL.
Artikel
2.
1. De Stichting erkent de Bijbel als in zijn geheel het geïnspireerde
Woord van God, dat leert:
a.
voor ieder persoonlijk de weg ter zaligheid alleen door
Jezus Christus, de Zoon van God, de enige Redder der Wereld,
b.
het herstel van Israël in nationale zin.
Artikel
3.
1.
De Stichting neemt op grond van de Bijbel en de historie
aan:
1.
dat het naar Assyrië in ballingschap weggevoerde Volk Israël voortleeft
in thans bestaande volkeren, waarvan de kern voornamelijk wordt
gevonden in Noord en West Europa, waaronder Nederland, en verder in Noord
Amerika, Zuidelijk Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland;
2.
dat de God van Abraham, Izaak en Jacob deze volkeren heeft afgescheiden
en de bepaalde en onherroepelijke opdracht heeft gegeven om als Zijn
dienaren en instrumenten het pad te effenen voor de uitbreiding van Zijn
Koninkrijk op Aarde, ook op het terrein van het maatschappelijke, sociale en
economische leven.
EEN
CORRESPONDENTIE?
In
het eerste nummer van dit jaar was ik doende met wat ons mogelijkerwijs te
wachten staat en waarvoor we in grote lijnen gewaarschuwd zijn. Dat is dan wel
zo, maar waarschuwingen worden dikwijls niet serieus genomen.
Persoonlijk
mag ik mij gelukkig prijzen, dat ik er op zeker moment zicht op kreeg, omdat
iemand daar eens even de tijd voor nam. Dat was wel even wennen aan een echt
ander geluid, zogezegd een nieuw geluid. Ik dook volop in de nieuwe materie en
moest, al doende, ook bij dat nieuwe geluid het kaf van het koren leren
scheiden. Het bracht met zich veel lezen en de zaken overdenkend op een rijtje
zetten en een beetje vallen en opstaan. Een beetje? Nou ja, ik heb
bijvoorbeeld heel wat voorspellingen aan mij voorbij zien gaan, waarvan ik
moest zeggen, dat het echt goed bedoeld was en meer was het dan ook niet. Ik
heb ook veel goeds bedoeld!
Leren
dus van eigen en andermans fouten, bijvoorbeeld, dat je niet zo gauw moet
denken een profetie te begrijpen. Een profetie is gewoon geen voorspelling,
daarvoor kun je wel naar een helderziende en sommige voorspellingen komen nog
uit ook! En profetieën stellen nog al eens teleur. Er waren voorspellingen,
die uitkwamen, “Ho ho zeg, weet je wel wat je zegt” hoor ik daar al
roepen, “is dat soms jouw nieuwe geluid?” Dat echter is historisch te
bewijzen: de voorspelling van de stormloop op de westerse vleespotten; de
teloorgang van het milieu door menselijke onvoorzichtigheden en idem vele
natuurrampen, die daardoor veroorzaakt werden; de zegetocht van de moderne
wetenschap met ongemakken (Jie daar weer door gevolgd werden en worden, enz.
enz.
Natuurlijk
komen de meeste voorspellingen niet uit en dat is met profetieën wel anders.
Het, manco daarbij is het ongeduld van de mens. Dan hoor je van de
“onvervulde profetieën” en in een andere zin van de “onverhoorde
gebeden” (van een zeer gelovige dominee). Ik kan me dat alles zo goed
indenken en ben dan in zowel het een als het ander een beetje voorzichtig
geworden, ik geloof het allemaal niet meer zomaar. Ik kan ook zeer goed
begrijpen, dat anderen niet zomaar iets gaan geloven, omdat wij het zo
enthousiast vertellen. Niet weinigen, die met goede bedoelingen op pad gaan en
anderen willen overhalen God in hun leven toe te laten, komen, een beetje ruw
gezegd, van een koude kermis thuis.
Ik
kan hier nog een hele litanie van maken, maar nu wat korter gezegd. als ik
bijbelse en aanverwante zaken bespreek met anderen, familie of kennissen,
gelovig of niet, probeer ik het altijd in ronde Hollandse termen te doen.
Dan kan het nog moeilijk genoeg zijn voor mijn gesprekspartners Dit hele
verhaal nu is de inleiding tot het volgende. Mijn vrouw en ik kijken wel eens
naar feet programma Buitenhof van de VPRO, foei foei, ja hoor, dat doen we wel
eens. Het wordt scherpzinnig gebracht, maar ik denk ook wel eens van dat zit
niet goed, dat zie je fout. Dat was bijvoorbeeld zo bij een beschouwing,
gehouden op 26 maart j.l. Een van de leden van de club hield een beschouwing
over het optreden van de paus bij zijn bezoek aan Israël en diens woorden van
spijt over bepaalde aspecten van de houding van de kerk ten opzichte van de
Joden in de loop der tijden.
Ik
ga nu niet het hele toespraakje van oommentaar voorzien, ik heb het gevolgd,
maar heb de volledige tekst niet en dat is voor mijn reactie ook niet nodig.
Ik beperk me tot de constatering, dat de heer Zijderveld niet van de juiste
gegevens op de hoogte was. Het is niet mijn gewoonte op sprekers te reageren
als ik vaststel, dat ze niet op de hoogte zijn, maar af en toe kan ik het niet
laten. Derhalve heb ik hem de volgende brief gezonden:
Geaohte
heer Zijderveld,
Als
min of meer vaste toeschouwers volgden wij op zondag 26 maart j.l. de uitzending
van Buitenhof. Zoals gebruikelijk werd door u een afsluitende beschouwing
gehouden. Deze keer over de tegenstelling, door de eeuwen heen, tussen Joden
en Christenen en wat daaromheen zich afspeelde. Hierbij miste ik toch wel
diverse cruciale historische gegevens, waarover hier een beperkte
samenvatting.
Allereerst,
kort geformuleerd en in grote lijnen, zijn de Joden een belangrijk deel van de
stam Juda, nl. het deel dat terugkeerde uit de Babylonische gevangenschap.
Slechts een deel van Juda ging in die ballingschap, nl. de inwoners van
Jeruzalem en naaste onigeving en ook daarvan niet allen. Van deze weggevoerden
kwam ook weer maar een deel terug.
Het
deel van Juda, dat buiten Jeruzalem en naaste omgeving gevestigd was, werd
reeds eerder afgevoerd door de Assyriërs. De in de Assyrische ballingschap
weggevoerden uit geheel Israël werden in de loop der geschiedenis aangeduid
als de "verloren stammen". Van een collega met veel Joodse kennissen
hoorde ik jaren geleden, dat bij gebedsdiensten in de synagoge voor de
hereniging met die verloren stammen gebeden
werd.
Deze hereniging is nog niet geschied.
De
voornoemde collega zei mij ook, dat die kennissen op het standpunt stonden,
dat Joden met de terugkeer naar het beloofde land moesten wachten tot de Messias
het initiatief zou nemen! Het oude testament, door rabbijnen, aan de hand van
voorhanden materiaal, te boek gesteld en globaal door de Christelijke kerken
overgenomen, staat vol met verwijzingen over die van "hogerhand" te
organiseren terugkeer. Wie eerder gaat doet dit op eigen risico! Men mag, als
Jood of niet-jood, natuurlijk best sympathie hebben voor de Joodse staat en de
daar wonende Jood-Christen-Moslim-gemeenschappen, maar weet dan hetgeen Zacharia
in hoofdstuk 12 profeteert over de "inwoners" van 's-werelds
toekomstige hoofdstad.
Apart
uitgewerkt voeg ik nog bi.,j enige treffende punten uit oude testament alsinede
uit de profane geschiedenis.
Hoogachtend,
Enkele
markante punten uit de voorgeschiedenis Juda-Israël.
Onderscheid
tussen Juda (Joden) en de andere stammen in het Oude Israël, welk onderscheid
er al was in een vroeg stadium.
David
was eerst koning over alleen Juda, later ook over de rest en toen werd
Jeruzalem zijn hoofdstad, Salomo volgde David nog op over het geheel, maar
toen Salomo's zoon, Rehabeam, door ontactisch optreden de andere stammen van
zich vervreemdde, brak er een opstand uit. (I. Koningen 12:1-1-4)
De
Scheiding:
Rehabeam
wilde de opstand neerslaan, maar werd hierin gehinderd door de profeet
Semaja, die hem namens God kwam waarschuwen: "handen af van uw broeders,
want door Mij is deze zaak geschied". (1 Kon. 12:24). Aldus is goddelijke
interventie de bezegeling van de alleengang van Juda (Joden) door de wereldgeschiedenis.
Symboliek
over de scheiding:
Aan
de profeet Zacharia werd in een symbolische vorm deze episode aangehaald:
"Daarop heb ik (Jahweh) mi,jn tweede staf, Samenbinding, verbroken,
tenietdoende de broederschap tussen Juda en Israël". (Zach. 11:14).
De
hereniging van Juda en Israël (nog komende):
De
profeet Ezechiël moet de namen van Juda op een stuk hout schrijven en op een
ander die van de rest van Israël. Deze beide stukken moet hij dan tot een
samenvoegen, aldus, symbolisch verbeeld, hen weer tot een volk samenvoegend.
(Ezech. 37:15-17).
Hieraan
voorafgaand een symbolische en tevens Danteske voorstelling van de herrijzenis
van Israël, welke zich echter in alle realiteit zal voltrekken in een zich
bewustworden van de Israël-identiteit van het verstrooide Israël. (Ezech.37:1-14)
Jeruzalem-wereldhoofdstad:
Bij
de profeet Micha vinden we een verhandeling over de toekomstige status van
Jeruzal.em: "Want, uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit
Jeruzalem". (Micha 4:2).
Dit
laatste is duidelijk nog niet het geval.
Profetie
over Jeruzalem:
Uit
“Rede over de laatste dingen” (Luc. 21-5-38 en Matt. 24).
“....
en Jeruzalem zal door de heidenen vertreden worden tot de tijden van de
heidenen vervuld zijn".
Eerste
heidense heerser over Jeruzalem: Nebukadnezar, koning van Babylon:
Laatste
heidense heerser over Jeruzalem: de laatste sultan van Turkije.
In
het oude testament, bij de Joden anders genoemd, maar dezelfde tekst, is een
heiden een niet-Israëliet en verder niets discriminerend.
Turken
door een Britse legergroep uit Jeruzalem verdreven op 9 december 1917.
Saillant detail hierbij is, dat die dag van het vertrek van de laatste
heidense heerser, dus 9-12-1917, regelrecht gerelateerd wordt aan het begin
van "de laatste dagen", “het laatste der dagen" en dat is
niet de rekbare eindtijd, maar het laatste stukje van die eindtijd.
U
ziet, dat ik me houd aan voor iedereen bekend te veronderstellen of althans
verkrijgbare informatie over Israël in de meest uitgebreide zin. De in onze
kringen verkondigde, wat 'meer uitgewerkte visie op de bijzondere positie van
Israël, heb ik eruit gelaten. Ik heb het dan ook niet gehad over de
consequenties van de gereleveerde feiten.
J.C.
Koekebacker
BESCHOUWINGEN OVER HET OUDE TESTAMENT
door
G.J. van Ojen
Overgenomen
uit “Het Steenen Koninkrijk”
I
Egyptische
invloeden op de eerste bijbelboeken.
Vooral
in de laatste tijd, met name de laatste twee decennia is er een groeiende
belangstelling ontstaan voor de Bijbel en voornamelijk voor het Oude
Testament. Wij mogen konstateren dat de mens als het ware onbewust grijpt naar
het eeuwige. Hij zoekt iets waaraan hij zich kan vastklampen, zoals de
spreekwoordelijke drenkeling aan de strohalm. Als hij zich maar boven water
kan houden. Zo is het echter niet met de 'geestelijke drenkeling'. Wil hij
worden gered, dan moet hij zich vasthouden aan de Rots van zijn behoud - Jezus
Christus - die de redder is van Zijn volk en in en door Zijn volk redding
brengt voor de gehele mensheid. De levende Christus, die straks Zijn volk zal
leiden in de grazige weiden van Zijn onvergankelijk koninkrijk.
De
oude Egyptenaren, die pas aan het begin stonden van de lange en moeilijke
weg van de godsdienstgeschiedenis, waren bezield met een eeuwigheidsgedachte,
proclameerden de onsterfelijkheid van de ziel (Ba) en geloofden in een
rechtvaardig godsoordeel na de dood (leer van Osiris). Het 'Egyptisch
Dodenboek', vermoedelijk de oudste literatuur ter wereld, geeft hiervan een
duidelijk bewijs.
Plutarchus
heeft eens beweerd, dat een stad beter zonder fundamenten kan zijn, dan een
staat zonder godsdienst. Werkelijke godloochenaars zijn er eigenlijk niet.
Denk slechts in dit verband aan Psalm 14:1. Wel zijn er mensen die het
zichzelf en anderen trachten wijs te maken, maar volgens de atheïsten zelf is
het atheïsme ook een soort van godsdienst.
Waar
nu de ongelovige wetenschap de godsdienst en zijn geschiedenis tot voorwerp
van studie heeft genomen, moeten wij als christenen, als gelovigen, toch
zeker paraat zijn in geval van wetenschappelijke aanvallen en listigheden
tegen Gods Heilig Woord bedacht. Wij moeten daarom alles met blijdschap en
dankbaarheid begroeten wat ons tot hulpmiddel kan dienen om de Bijbel beter te
verstaan en zodoende ook effectief tegenover onze tegenstanders te kunnen
verdedigen. Hierbij mag geen middel onbeproefd gelaten worden. Het
"Onderzoekt de Schriften" is een opdracht die wij hebben te
vervullen, een opdracht om Gods wil.
Wij
willen nu voornamelijk iets zeggen over Genesis en Exodus, de eerste boeken
van de Heilige Schrift. Zonder tegenspraak kunnen wij wel stellen dat de 'vijf
boeken van Mozes, zoals de oude term luidt, reeds lang het voorwerp zijn
geweest van meedogenloze kritiek, als wellicht geen ander boek van het O.T.
Hierop heeft juist de wetenschap haar aanvallen gericht en nimmer het verband
aanvaard tussen wat Gods Woord zegt en wat de menselijke geest beweert, nog
erger, het wetenschappelijk archeologisch onderzoek ermee in tegenspraak acht
ofwel het gehele bijbelverhaal verwijst naar het land van de mythen,
verdichte verhalen, ontsproten aan een ongebreidelde fantasie.
Naast
de kritische opvattingen die er bestaan over de herkomst van het eerste
bijbelgedeelte, staan die van de zogenaamde astraal-'theologen, die in de
hemellichamen en natuurkrachten die in het O.T. worden beschreven goden en
godinnen menen te kunnen ontdekken die alles, ook de wereld der mensen,
besturen.
Speciaal
ten aanzien van de figuur van Mozes zijn de meest fantasierijke verhalen
verspreid, waarop wij in een afzonderlijk artikel hopen terug te komen.
Wij
moeten bedenken dat de hoofdpersonen van Israëls geschiedenis in het Oude
Testament, als het ware dagelijks met de Egyptische maatschappij en cultuur in
aanraking kwamen.
Jozef
kwam, nadat hij door zijn broers was verkocht, bij Potifar, de grootvizier
van Egypte, terecht en werd later onderkoning van dat land. Mozes werd
opgevoed aan het Egyptische hof en onderwezen in de wijsheden der Egyptenaren
(Hand.7:22).
Zeker,
Abraham was afkomstig uit het oosten en daarom moet de invloed van Babel
gedurende een lange reeks van jaren, in cultuur en religie, op hem wel
bijzonder groot zijn geweest. Hij woonde immers eerst in Ur en na de
verwoesting van deze stad in Haran, steden die het middelpunt vormden van de
dienst aan de maangod Sin. Later heeft Abraham zelf in Egypte gewoond en
verbleef ook in Kanaän – eigenlijk toen een wingewest van Egypte – waar
hij zijn tenten opsloeg, hetzij in Sichem, hetzij in Hebron of elders aan de
grote karavaanweg die Egypte met Kanaän en door dat land met de buurlanden,
vooral met Syrië en Mesopotamië, verbond. Ook tijdens zijn verblijf in Ur
en Haran, is hij niet buiten de invloedssfeer van Egypte gebleven. Datzelfde
geldt in nog grotere mate voor Izaäk en Jakob, maar vooral echter voor de
meest op de voorgrond tredende personen als Jozef en Mozes, die
vanzelfsprekend geheel op de hoogte waren van alles wat tot Egypte behoorde.
Het volk Israël zelf woonde ruim vier eeuwen lang midden in het land van de
farao's en het kwam ook na de verovering van het Beloofde Land, er voortdurend
mee in aanraking, zowel door de grote leger- en karavaanwegen, als door de
handel – vooral transitohandel – , door diplomatie, oorlogen en
anderszins.
Wie
ook maar enigszins op de hoogte is van de talrijke opgravingen in Palestina,
vooral in de jaren vlak voor de tweede wereldoorlog, weet uit de rijke schat
van het reeds opgedolven materiaal en de vele blootgelegde bouwwerken, hoe
omvangrijk en diepgaand de invloed van Egypte op Kanaän is geweest, zelfs vóór
de komst van Abraham, veel meer dan die van Babel.
Geleerden
dus, die geen Egyptologen zijn en spreken over het eerste gedeelte van de
Bijbel als over niet-Mozaïsche boeken en zelfs de datum van het verschijnen
ervan ná de joodse ballingschap vaststellen, moeten in hun
onwetenschappelijke veronderstellingen en onderzoeksresultaten inzake de
boeken van Mozes, op grond van de wetenschap ten enenmale worden afgewezen.
Hoe
meer men zich in de geschiedenis van het 'oude volk' verdiept, des te ruimer
wordt de blik op zijn nieuwste geschiedenis. Er is geen volk ter wereld
waarmee zo wonderbaarlijk is en wordt gehandeld als met het volk Israël, dat
de geschiedenis van de mensheid op de schouders draagt.
![]()
HET
LEVEN VAN JEZUS CHRISTUS
het
nooit vertelde verhaal’door’Steven M. Collins
Vertaling
T. Wijsman-Everaarts
Deel
II
De
‘ontbrekende achttien jaren’
twaalf
tot dertig jaar
Is
het niet tegenstrijdig dat, terwijl Jezus toch de centrale figuur is van het
Nieuwe Testament, er niets is geschreven over het grootste deel van zijn
leven? De Bijbel vertelt ons iets over zijn beginjaren, heel veel over de
laatste drie en een half jaar, maar niets over de leeftijd van twaalf tot
dertig jaar.
Lucas
3:23 zegt dat Jezus ongeveer dertig jaar was, toen hij aan het begin
van zijn bediening een bekende figuur werd in het openbare leven van Judea,
maar waar was Hij geweest en wat had Hij gedaan in de tussenliggende
achttien jaren? Aangezien de Bijbel geen direct commentaar geeft op deze
periode, moeten wij ons voor informatie verlaten op niet-bijbelse bronnen. De
stilte in het Nieuwe Testament over deze achttien jaren is veelbetekenend. Dat
Lucas 1:2 zegt dat de evangelieverhalen ooggetuigenverslagen zijn, geeft te
kennen dat de evangelieschrijvers geen van de gebeurtenissen in Jezus’ leven
van zijn twaalfde tot dertigste jaar hebben meegemaakt. Als Hij had geleefd
in Judea of Galilea, zou het onmogelijk zijn geweest zo’n vroegwijze
jongeman, die als kind zo’n eerbetoon had ontvangen van buitenlandse
hooggeplaatste personen en die de tempelautoriteiten versteld had doen staan
met zijn briljante verstand, verborgen te houden. Was de geestelijke kracht
die zich in de jonge Jezus manifesteerde latent geworden al die jaren?
Onderdrukte Jezus deze geestkracht op zijn twaalfde, zodat Hij kon leven als
een onbekende timmerman? Dat is hoogst onwaarschijnlijk!
De
gebeurtenis in de tempel wees erop dat Jezus, om zijn goddelijke opdracht te
kunnen volgen, ten opzichte van zijn ouders in een loslatingsproces
verkeerde.
Huidige
onderzoekers zijn van mening dat Jezus spoedig na het tempelincident
Palestina verliet. Er is bijbelse getuigenis die deze conclusie ondersteunt.
Volgens het verslag van Mattheüs 13:54-56 werd Jezus na deze
achttienjarige periode nauwelijks herkend in zijn vaderstad. Terwijl Hij
op twaalfjarige leeftijd de tempeloudsten verbaasd liet staan door zijn
wijsheid, de gewone mensen in de synagoge van Nazareth vroegen zich af nadat
zij Jezus hadden horen spreken: “Vanwaar heeft Hij die wijsheid en die
krachten?” Als Hij al die tijd aanwezig was geweest zou dat een dwaze
vraag zijn. Zijn luisteraars vroegen ook: “Is dit niet de zoon van de
timmerman? Heet zijn moeder niet Maria, en zijn broeders Jakobus en Jozef en
Simon en Judas? En behoren zijn zusters niet allen bij ons?” Dit
betekent dat de mensen moeite hadden zich Jezus te herinneren en Hem te
plaatsen. Het feit dat zij gemakkelijk al zijn directe familieleden konden
benoemen en zeiden; behoren zij niet allen bij ons, wil dus zeggen dat
Jezus niet bij hen was geweest. Hun spottende en vijandige houding
wijst erop dat Hij lange tijd uit Nazareth was weggeweest, terwijl zijn
broers en zusters in de gemeenschap waren gebleven. Het mag duidelijk zijn dat
Jezus, als Hij zijn hele leven een hard werkende timmerman was geweest in
Nazareth, Hij voor de burgerij een bekende geweest zou zijn. Nu spraken zij
als waren zij nooit eerder getuige geweest van zijn wijsheid of zijn kracht!
Jezus’
wijsheid had, zo jong als Hij was, de meest geleerde Joodse leiders van de
natie versteld doen staan. Aannemend dat Hij de daarop volgende achttien jaren
in Nazareth had geleefd als een gewone timmerman
en niets van zijn wijsheid had getoond totdat Hij dertig jaar werd, zou men
moeten geloven dat Hij de Heilige Geest die zo vurig in Hem brandde toen Hij
twaalf jaar oud was, al die tijd had onderdrukt. In I Tessalonicenzen 5:19
wordt het christenen verboden de Heilige Geest ‘uit te doven’. Deed Jezus
wat aan christenen is verboden? Dat is moeilijk voor te stellen! Toch verdedigt
de traditie het dogma, dat Jezus onopvallend in Nazareth zou hebben geleefd
totdat Hij dertig jaar werd.
Een
logischer conclusie is dat Jezus, gedurende de ‘ontbrekende jaren’ niet
als timmerman in Nazareth werkte. In feite maakt de Bijbel er geen melding
van dat Hij als volwassene ooit bezig is geweest met dat vak. Matteüs 13:55
verwijst naar Hem als een ‘timmermanszoon’, niet als een timmerman.
Volgens Lucas verklaart Jezus tijdens zijn ontmoeting met de tempeloudsten
dat zijn toekomst niet was verbonden met het beroep van zijn fysieke vader,
maar dat Hij was geroepen door zijn geestelijke Vader in de hemel. Toen zijn
ouders Hem een standje gaven voor zijn lange afwezigheid antwoordde Hij
immers: “Wist gij niet, dat ik bezig moet zijn met de dingen mijns
Vaders?”
Als
kind in een timmermansgezin opgroeiend, was Jezus zeker vertrouwd met het vak,
maar de Bijbel vertelt niet dat Hij het in Nazareth uitoefende tijdens de
stille jaren. Het verslag van Marcus over Jezus’ bezoek aan de synagoge
(6:1-6) haalt Zijn stadsgenoten aan die Hem een ‘timmerman’ noemen. Dit
waren echter dezelfde mensen die moeite hadden Hem thuis te brengen, zoals de
context bevestigt. Dat zij Jezus een timmerman noemden, zal waarschijnlijk
te maken hebben met het feit dat Hij een leerling was in de zaak van Jozef,
zijn stiefvader, toen zij Hem voor het laatst hadden gezien.
Deze
passage verklaart ook dat Jezus vier broers en tenminste twee zusters had. Hoe
groot het aantal kinderen ook is geweest, het is duidelijk dat Maria een grote
familie kreeg nadat Jezus was geboren. De Bijbel rept niet meer over Jozef in
de jaren die volgden op het tempelincident. Omdat Maria en haar andere
kinderen volgens de Bijbel in Nazareth leefden toen Jezus dertig jaar oud was
en er over Jozef niet meer wordt gesproken, is het waarschijnlijk dat hij in
die tussentijd is gestorven en aangezien Jezus al veel tijd doorbracht in het
gezelschap van Jozef van Arimathea toen Hij jong was, zal deze Jezus’ voogd
geworden zijn toen Jozef stierf. Jozef van Arimathea was zeker een goed
rolmodel voor Hem, want Lucas 23:50 verwijst naar hem als ‘goed’ en
‘rechtvaardig’. Gegeven het feit dat Jozef van Arimathea als raadsheer een
prominente plaats innam in de Joodse samenleving en Jezus’ vroegrijpe
wijsheid bekend was aan de tempeloudsten, hoe is het dan mogelijk dat er
niets op schrift is gesteld over zijn activiteiten gedurende de ontbrekende
achttien jaren? Het antwoord luidt: Hij was niet in Palestina gedurende die
tijd!
Het
was de gewoonte dat, met de dood van een vader, de oudste zoon (ook de jonge
Jezus) verplicht was de zorg op zich te nemen voor het gezin. Aangezien Jozef
van Arimathea echter een rijke bloedverwant was, die het economisch welzijn
van de familie kon garanderen, was Jezus vrij om zijn werkelijke roeping in
het leven te volgen. Ook de Magi hadden Hem bij zijn geboorte met kwistige
hand kostbaarheden geschonken, die beslist door zijn ouders of door Jozef van
Arimathea in beheer zullen zijn genomen. Jezus kon dus uit deze rijkdom
putten om in de behoeften van zijn familie te voorzien zonder als timmerman te
moeten werken.
In
‘The traditions of Glastonbury’ voert de schrijver E.Raymond Capt aan dat
Jozef van Arimathea handel dreef op internationaal niveau en tinmijnen bezat
op de Britse eilanden, die al tenminste sedert de regering van koning Salomo
door groepen Israëlieten (Danaäns en Simonii) waren gekoloniseerd. En toen
de Assyriërs het oude Israël veroverden kwamen daar nog grote aantallen
vluchtelingen bij, zodoende een goede basis vormend voor een Israëlitische
populatie. Het behoeft niemand te verbazen dat Jozef van Arimathea, een
prominent lid van het volk van Juda, handel dreef met telgen van de andere
Israëlvolken. Capt citeert Gildas Badonicus, een Britse historicus uit de
zesde eeuw, die verwijst naar Jozef van Arimathea als een ‘nobilis
decurio’. Het feit alleen al dat een Britse historicus over Jozef van
Arimathea schrijft, geeft gewicht aan verhalen dat hij was betrokken bij
gebeurtenissen in het vroege Brittannië. Capt bevestigt Jozefs rol als volgt:
“Dezelfde titel ‘decurio’ (van toepassing op Jozef van Arimathea) is
gebruikt door St. Jerome in zijn vertaling van de Vulgaat van St.Marcus
‘eerwaarde raadsheer’ (Marc.15:43) en St.Lucas ‘raadsheer’ (Luc.23:50).
In de Romeinse wereld duidt ‘decurio’ op een belangrijke functie, gewoonlijk
verbonden aan het algemeen management van een mijndistrict. Een natuurlijke
gevolgtrekking is dat Jozef in Brittannië was belast met Rome’s belangen
in de mijnindustrie. Zo’n positie bracht mee dat Jozef dikwijls geruime tijd
in het buitenland moest doorbrengen”
Jozef
moet inderdaad een vooraanstaande figuur in de Romeinse wereld geweest zijn
dat hij onmiddellijk op zijn verzoek toegang kreeg tot Pilatus, de bestuurder
van Judea, gedurende de intense verwarring tijdens de kruisiging
(Marc.15:43-45). Tenzij Jozef van Arimathea bekend was en vertrouwd werd
door Pilatus en de Romeinse overheid in Judea, zou hij hem niet zo gemakkelijk
hebben kunnen benaderen op zo’n gevoelig en kritiek moment. Capt verklaart
ook dat in die periode zowel de Joodse als Romeinse wetgeving voorschreef
dat lichamen van misdadigers in een gemeenschappelijke kuil moesten worden
gegooid om elke herinnering uit te wissen, tenzij een lichaam direct na de
executie door een familielid werd opgeëist. Het feit dat Jozef van Arimathea
zich aanmeldde om Jezus’ lichaam op te eisen is overtuigend bewijs dat Jezus
en hij een familierelatie hadden. Dat hij geen toestemming vroeg aan een of
andere ambtenaar, maar direct Pilatus benaderde, wil zeggen dat hij gewend was
zaken te doen op hoog niveau.
Wat
kan er verteld worden over de bezigheden van Jozef van Arimathea en Jezus in
de periode dat ze samen optrokken. Als Jozef het voogdijschap had, zal Jezus
heel wat gereisd hebben, gegeven het feit dat de zaken van zijn oudoom ook de
internationale handel van die dagen betroffen. Al is de volgende informatie
gebaseerd op legenden en tradities, de Bijbel ondersteunt stilzwijgend de
gedachte dat Jezus lange tijd afwezig was. Het is duidelijk dat Hij ergens
naar toe ging en legenden en tradities bieden het enige houvast. Zij
bevestigen dat Jozef van Arimathea en Jezus niet alleen aanwezig waren in
Brittannië, maar dat zij huizen hadden in de buurt van Glastonbury, Engeland.
Deze beweringen ondersteunend, zegt Capt dat Glastonbury twee namen droeg uit
oude tijden; ‘Secretum Domini’ en ‘Domus De_’. William Stuart
Mc.Birnie in zijn boek ‘The Search for the Twelve Apostles’ schreef ook:
“Het is zeker dat er geen andere traditie bekend is betreffende de
geschiedenis van Jozef van Arimathea en omdat de Britse traditie zo sterk is
zien wij geen reden om het te bestrijden...Aangezien in geen ander land er
zo’n sterke traditie bestaat over sommige apostolische figuren, kunnen wij
uitgaan van de mogelijkheid, zo niet de werkelijkheid. Zo is het
met...St.Joseph”
Capt
put ook uit een 15e eeuws document dat vermeldt dat koning Arviragus van het
Engeland uit de 1e eeuw door Jozef van Arimathea tot het christendom werd
bekeerd en dat deze vroege koning hem en zijn metgezellen twaalf stukken
land gaf in de buurt van Glastonbury. Deze schenking, waarover geen
belasting behoefde te worden betaald, wordt eveneens vermeld in het Domesday
Book uit de vroege Engelse geschiedenis onder de titel ‘Domus Deï’. Het
feit dat dit land in twaalf stukken werd gedeeld is belangrijk. Was deze
symboliek door God geïnspireerd...voor elk van de twaalf stammen van Israël
een deel?
De
druïden, schrijft Capt, vereerden de god Beli, de schepper van het verleden;
Taran, de controlerende voorzienigheid van het heden; en Yesu, de komende
redder van de toekomst als een drieëenheid. De naam Beli houdt
in het Hebreeuwse woord voor ‘Heer’ en in hun verwachtingen van de komende
redder Yesu, liep het druïdisme vooruit op het christendom en verwees naar de
komende redder onder dezelfde naam waarmee Christus wordt genoemd. De naam
‘Jezus’ is een Griekse vertaling; de Hebreeuwse naam zal waarschijnlijk
‘Yoshua’ zijn wat ‘redding’ betekent. Het voorkomen van Hebreeuwse
woorden in de druïdische religie van Brittannië wijst erop dat het wortels
had in de religie van het oude Israël. Dit is logisch, gezien de dominante
aanwezigheid van Israëlieten in Brittannië door het gehele
1e millennium v.C.
Andere
oude legenden vertellen dat Jezus naar het oosten reisde, tot India en Nepal.
Er is een bijbelse basis voor de legenden dat Jezus zowel het westen, de
Britse Eilanden, bezocht als het oosten. In Matteüs 15:24 zegt Jezus: “Ik
ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het Huis Israëls”. Het
Huis van Israël verwijst naar de weggevoerde stammen van het noordelijke
koninkrijk, meegerekend de vroege Britten, de Sacae/Saka Scythen en de Parthen
in Asia. Aangezien het gebied van de heersende Parthen/Saka zich uitstrekte
tot in India, konden groepen Israëlieten ook daar gevonden worden. Omdat
Jezus zei dat Hij was ‘gezonden’ naar die tien stammen is het logisch dat
hij daarheen ging waar de verschillende stammen van het Huis van Israël in
de 1e eeuw n.C. leefden. Omdat zowel de Britse Eilanden als zelfs delen
van India (oostelijk van het Parthische rijk) toentertijd werden bewoond door
stammen van Israël, zou Jezus’ aanwezigheid onder deze mensen een
vervulling zijn van dat schriftgedeelte.
Zoals
we eerder hebben gezien leefde Jezus tijdens een periode van vrede tussen
Parthië en Rome. Gedurende deze periode bloeide de handel tussen de
kooplieden van beide rijken. Rawlinson schrijft in zijn boek ‘The Sixth
Oriental Monarchy’ dat deze handel ‘aanzienlijk’ was en dat de
kooplieden ‘verschillende metalen en talrijke vervaardigde artikelen’ van
Rome naar Parthië brachten. Jozef van Arimathea, hebben we gezien, was
betrokken bij de mijnindustrie (metalen) en Judea was zijn thuisland, een
ideale situatie om de export via de handelsroutes over land te bevorderen. Het
is voorstelbaar dat zijn handelsimperium ook de export van metaalproducten
naar Parthië en Asia in het pakket had. Toen Jezus opgroeide, werd hij
waarschijnlijk een vertrouwd gezicht in de internationale onderneming van zijn
oudoom. Wie zou dus beter geschikt zijn dan Jezus om Jozefs belangen in de
Parthische gebieden te behartigen? De Magi, behorend tot de regerende klasse,
kenden Hem al vanaf zijn prille jeugd! Jezus kon verzekerd zijn van een zeer
warme ontvangst in dat land en dankzij de gunst van de Megistanen zou Hij
toegang hebben tot die landen die behoorden tot de invloedssfeer van Parthië.
Jezus’ aandeel in de internationale handel van zijn voogd verschafte Hem een
ideale gelegenheid om die gebieden te bezoeken waarnaar de tien stammen
toegetrokken waren, zoals Brittannië, Scythië, Parthië en andere oosterse
locaties.
Er
bestaat nog een andere mogelijkheid. Tijdens de drie jaar durende
droogteperiode (de profeet Elia, 9e eeuw v.C.) en als gevolg daarvan de
hongersnood in Israël trokken velen, in tijden van oorlog of andere onheilbrengende
gebeurtenissen door landgenoten gevolgd, naar Noord-Afrika en stichtten daar
Kirjath Hadeschat, ‘nieuwe stad’, door de Grieken Karchedon en de
Romeinen Carthago genoemd. Zoals de geschiedenis leert, groeide deze stad uit
tot een machtig rijk, dat met zijn vloot de Middellandse Zee beheerste en de
oceanen bevoer. Het Israëlitisch/Phoenicische en Carthaagse rijk stichtten
handelsposten, niet alleen rond de Middellandse Zee, maar ook in
Noord-Amerika. Tijdens de Punische oorlogen zullen Carthagers Noord-Afrika
zijn ontvlucht en hun heil, na de val van de hoofdstad, hebben gezocht in de
Noord-Amerikaanse koloniën.
De
Punische kolonie bleef bestaan tot ongeveer 500 nC, er was dus een belangrijke
Israëlitische beschaving in Noord-Amerika in de tijd dat Jezus leefde. Omdat
Jezus die gebieden op de aarde bezocht waar zich nakomelingen ophielden van
de tien stammen, zou Hij dan ook niet het oude Noord-Amerika hebben bezocht?
Het verrassende antwoord is mogelijk bevestigend!
Laten
we de legenden van Quetzelcoatl eens in ogenschouw nemen. Quetzelcoatl wordt
gewoonlijk afgebeeld als een slangengod, maar er zijn legenden die ons heel
wat anders vertellen. In ‘Voyages to the New World’ van Nigel Davies is
een verzameling Quetzelcoatl-legenden opgenomen. Deze legenden vertellen dat
Quetzelcoatl ‘een blanke huid had’ en...’ volgens de traditie
werd terug verwacht... echter
maar een keer, in menselijke gedaante, en dat ondanks de jammerklachten van
zijn volk, Quetzelcoatl op een lange reis ging naar een plaats in het
oosten waar hij zijn einde tegemoet moest zien’, dat ‘hij opvoer
naar de hemel en daar binnenging’ en dat ‘hij vier dagen verbleef in
het land van de doden en op de achtste dag opnieuw verscheen als de
Morgenster’. Davies verklaart ook dat Quetzelcoatl werd afgebeeld als
‘een god in menselijke gedaante’ en dat hij ‘God, de schepper’
was. Het is opmerkelijk dat de Quetzelcoatl-legenden uitsluitend zijn
verschenen in het christelijke tijdperk.
Er
zijn ook Peruviaanse legenden over een godheid genaamd Viracocha die
‘vertrok over de zee, maar die terug zou komen’. Viracocha wordt
ook beschreven in Spaanse bronnen als een weldoener die reisde van plaats naar
plaats, over bekering predikte en wonderen deed. Charles Boland voegt
in zijn boek ‘They All Discovered America’ eraan toe ‘dat van de eerste
Quetzelcoatl werd gezegd dat hij uit een maagd was geboren’.
Legenden
over de Oude Wereld spreken van een menselijke godheid, een blanke
(Semitische) weldoener die bekering predikte, wonderen deed, zowel God als
mens was, geboren uit een maagd en afkomstig was van de Oude Wereld. Hij
maakte een lange reis naar het oosten (over de Atlantische oceaan naar de
Oude Wereld), werd op een missie van zelfopoffering gedood, maar was opgestaan
en naar de hemel opgevaren. Dat hij op een bepaalde tijd in de toekomst zou
terugkeren verwijst onmiskenbaar naar de enige historische persoon; Jezus
Christus.
Inderdaad,
veel van de verhalen over een menselijke Quetzelcoatl lopen parallel met de
christelijke leer over Jezus Christus. Zelfs zijn titel ‘Morgenster’ is
een van Jezus’ bijbelse titels (Openb.22:16). De vele christelijke
motieven aan de vroege Quetzelcoatl verbonden, duiden er sterk op dat hij in
zijn menselijke gedaante Jezus voorstelde die de Nieuwe Wereld bezocht tijdens
de onbekende jaren van zijn leven. Deze legenden vertellen zelfs dat hij
terugkeerde naar de Oude Wereld om zijn bestemming tegemoet te zien.
Legenden
die Quetzelcoatl beschrijven als een slangengod zijn natuurlijk niet van
toepassing op Jezus Christus. Het is satan die in de Bijbel wordt voorgesteld
als een ‘slang’ (Gen.3:1-13; Op.12:9-15) en het is waarschijnlijk dat de
verering van Quetzelcoatl in de loop van de tijd is veranderd van een bijbels
gegeven in een vorm van satanverering, inclusief de rituele mensenoffers. De
legendarische figuur Viracocha kan gebaseerd zijn op Jezus Christus zelf of op
een van de apostelen. Zij werden, volgens Mattheüs, immers door Christus
gezonden ‘naar alle volken’ (28:19).
We
hebben al even aangestipt dat Israëlitische beschavingen werden gesticht in
de Nieuwe Wereld door Hebreeuwse Phoeniciërs, Carthagers en Iberiërs. Deze
Israëlieten speelden, door het overbrengen van kennis en gewoonten van de
Oude naar de Nieuwe Wereld, hierin een grote rol. Bijvoorbeeld de Carthagers
die de Nieuwe Wereld koloniseerden waren Israëlieten die de baälverering
praktizeerden met mensenoffers als onderdeel daarvan. Het is goed voor te
stellen dat deze gruwelijke praktijken door de Carthagers daar werden geïntroduceerd.
Komend uit Noord-Afrika waren zij eveneens bekend met de Egyptische piramiden
en het is dus waarschijnlijk dat ook het voorkomen van piramiden in de oude
Midden-Amerikaanse beschaving getuigt van een relatie tussen de twee werelddelen.
Ook
al sluit het niet direct de hele onbekende periode van Jezus’ leven in, deze
verhalen ondersteunen de bewering dat Hij enige tijd in de Nieuwe Wereld moet
zijn geweest. Aangetoond is in ieder geval dat de christelijke religie daar
werd gevonden spoedig na zijn dood - hiermee ook het bewijs leverend dat de
transatlantische route tijdens Jezus’ leven bekend was.
De
wetenschap dat zich in de Nieuwe Wereld Israëlieten bevonden, verschafte
Jezus een bijbelse basis om hen te bezoeken. Mattheüs 15:24 zegt dat Hij werd
gezonden naar de verloren schapen van het Huis van Israël (de tien
stammen). Mattheüs 15 bevat een overtuigend argument wat dit betreft. In de
verzen 21-28 vraagt een heidense vrouw uit het gebied van Tyrus en Sidon Hem
haar dochter te genezen (iets wat Jezus bereid was te doen voor zijn
landgenoten). Jezus weigerde in eerste instantie te helpen, stellend dat Hij
slechts was gezonden tot ‘de verloren schapen van het Huis Israëls’.
Alleen door een herhaalde, deemoedige benadering wist deze vrouw Jezus te
bewegen haar te helpen. Jezus’ tegenzin heidenen tegemoet te komen ‘in
zijn eigen achtertuin’ pleit ervoor dat Hij geen tijd gespendeerd zou
hebben om de Atlantische Oceaan over te steken en de bewoners daar het
evangelie te brengen, tenzij het Israëlieten waren!
Tot
dusver hebben wij voldoende aangetoond dat er een aanzienlijk aantal Israëlieten
in de Nieuwe Wereld was, al voor, gedurende en na Jezus’ leven. Iets van dit
bewijs zullen wij nader onder de loep nemen om te laten zien dat
transatlantische reizen mogelijk waren in het christelijk tijdperk, de 1e eeuw
nC inbegrepen.
De
Toltec-beschaving bloeide in Midden-Amerika van 900-1200 nC. De
‘Encyclopedia Americana’ zegt: “Hun hoofdstad was Tollan, nu
Tula...de naam Toltec is afgeleid van de naam van hun hoofdstad...de
belangrijkste figuur in de Tolteekse geschiedenis was...Topiltzin”.
Een
van de takken van de Israëlitische stam Issaschar was genoemd naar Tola, een
van de zonen (Num.26:23). Let op de overeenkomst tussen de Israëlitische naam
Tola en de basiswoorden Tollan, Tula en Toltec,
aantonend dat de stam van Issaschar was betrokken bij het ontstaan van de
Toltec-beschaving. Een tussenliggende lokatie waar eveneens hun stamnaam is
gevonden is Thule, op Groenland. Een analyse van de naam Topiltzin
wijst op een Viking/Scandinavische oorsprong. De naam eindigt met de
lettergreep ‘zin’. De letters ‘z’ en ‘s’ zijn fonetisch
gelijkluidend. Als we de ‘z’ verwisselen voor een ‘s’ krijgen we
Topilt-sin, of Topilt-son. Het achtervoegsel ‘son’ of ‘sen’ van
een naam is heel gewoon in Scandinavië. De consonanten ‘S-N’ of
‘Z-N’ aan het einde van de naam Topiltzin pleiten voor een Scandinavische
oorsprong van deze man.
Een
artikel door Laurence Athy jr., afgedrukt in de ‘Epigraphic Society
Occasional Publications’, getiteld; ‘Buitenlandse invloeden op het
priesterdom en de adel van het Pre-Colombiaanse Amerika’ beweert dat de
Olmec- en Toltec-beschavingen werden geregeerd en bestuurd door buitenlanders
die lang van gestalte waren en baarden droegen. Deze elite stond qua postuur
in schril contrast met de gedrongen, platneuzige, Indiaanse boeren waarover
zij heersten. Zij vertoonden duidelijk de Semitische kenmerken van de Oude
Wereld. Athy merkt op dat in de tijd dat de Tolteekse beschaving in opkomst
was deze ‘lange bebaarde elite’ al meer dan tweeduizend jaar in de Nieuwe
Wereld aanwezig was. De Tolteekse heerser Topiltzin was ‘een
eerbiedwaardige en ernstige persoon...een oude man met een rode al grijzende
baard...die uit een vreemd land was gekomen’. Athy zegt verder: “Topiltzin en zijn Tolteken waren
vriendelijke mensen, die werden tegengestaan door een kwaadwillende leider van
de inboorlingen en ze werden zodanig lastig gevallen dat de Tolteken het
land verlieten en terugkeerden naar hun land van oorsprong. Topiltzin riep
het volk van Tula bijeen om hun te vertellen dat hij wegging vanwege de vervolgingen
en profeteerde de komst van ‘vreemdelingen...uit het oosten’ en het volk
zou worden gestraft voor de slechte behandeling die zij de Tolteken had doen
ondergaan’. Topiltzin vertelde hun ook dat zijzelf geen getuige
zouden zijn van de komst van de vreemdelingen...maar de vierde of vijfde
generatie”.
De
Spanjaarden onder Cortez arriveerden ongeveer driehonderd jaar later en
vervulden Topiltzins profetie omtrent de vernietiging van de Azteekse cultuur
die de Tolteekse had opgevolgd. Athy voegt eraan toe: “Cortez kwam in het
jaar 1 Reed van de Azteekse kalender...het jaar waarin Topiltzin was geboren
- het jaar waarin de terugkeer van zijn zonen was voorzegd”.
In
de Maya-ruïnes van Comalcalco werden inscripties gevonden, daterend van de 1e
tot de 3e eeuw nC, die erop duidden dat het christendom bestond in de Nieuwe
Wereld, een bepaalde tijd vast gegrond en wijd verspreid was, maar dat het op
den duur degenereerde. Christelijke symbolen en praktijken, zoals de
Spanjaarden die aantroffen, werden door de inheemse bevolking vermengd met
zonaanbidding. Let op het volgende: “Tot grote verrassing van de vroege
missionarissen waren veel van de RK-rituelen die aan de Maya’s werden
geleerd hun al vertrouwd, zoals de doop in water, vormsel, vasten...Het
kruis was een vertrouwd beeld...Toen de broeders uitlegden dat het kruis het
teken was van God, die was gestorven aan de Boom van Goed en Kwaad en nu in de
hemel woont, aanvaardden de Maya’s het als een andere versie van een
geschiedenis die ze al kenden”.
Het
kruis in het bijzonder was een welbekend symbool, speciaal onder de regerende
klasse. Walter Stender schreef: “Toen de Spanjaarden Peru veroverden,
waren ze verbijsterd dat ze kruisen aantroffen in de tempels en paleizen van
de koninklijke Inca-familie..., want voor de Inca’s was het gebruik van
het kruis als symbool een voortzetting van voorgaande culturen... het is
duidelijk dat het kruis van religieus belang was”. Stender vervolgt: “De
Maya’s gebruikten het...in een van hun uitgesneden beelden. Op verschillende
plaatsen in Zuid-Amerika bestaan legenden dat blanke mannen kwamen om de
inheemsen te leren meer op een sociale manier met elkaar te leven. Er is
een duidelijke overeenkomst met de welbekende Midden-Amerikaanse traditie, dat
blanke mannen kwamen die probeerden het culturele niveau van de inheemse
bevolking te ontwikkelen...al deze blanken...hadden baarden. Een ander kenmerk
is in het bijzonder opmerkelijk; de kleding van deze blanke bezoekers was
versierd met witte en zwarte kruisen...In de tijd van de Spaanse
verovering was men zich in Zuid-Amerika zeer goed bewust van een vroege
aanwezigheid van blanke inwoners”.
Stenders
artikel laat zien dat het symbool van het kruis werd gevonden tenminste zo
vroeg als 500 nC. Gecombineerd met de bewijsvoering dat christelijke
inscripties werden aangetroffen in Comalcalco in de 1ste tot de 3de eeuw nC
kan geconstateerd worden dat het christendom er feitelijk vanaf het begin van
het christelijke tijdperk gepraktiseerd werd!
De
‘Epigraphic Society Occasional Publications’ heeft reproducties gemaakt
van een aantal brieven van drie verschillende pausen, gedateerd 1282, 1448 en
1492 nC, geschreven aan Noorse bisschoppen en een kerk in Groenland. De brief
van paus Martinus IV aan een Noorse aartsbisschop van 1282 betrof de tienden
van de Groenlandse kerken en de brief van paus Nicolaas V van 1448 erkende dat
christenen in Groenland ‘bijna 600 jaar het geloof in Christus hadden
onderhouden...’. Deze zeldzame pauselijke brief plaatst christenen in
Groenland in de 9e eeuw n.C.. Eeuwen voor de brief van paus Nicolaas V maakten
de Vikingen al tochten naar de Nieuwe Wereld, en de IJslandse
geschiedenisboeken vertellen dat een R.K. bisschop, genaamd Eric Gnuppson,
reisde van IJsland naar de Nieuwe Wereld in het jaar 1121 nC.
Dit
uitstapje besluit de bewijsvoering van een gevestigd christendom in de Nieuwe Wereld.
Het was noodzakelijk vast te stellen dat christenen naar de Nieuwe
Wereld reisden, niet alleen in de 1e eeuw n.C., maar vele malen voor de
middeleeuwen en de komst van Columbus of Cortez. Ofschoon niet direct
gerelateerd aan het leven van Jezus Christus, geeft het toch
achtergrondinformatie bij de revolutionaire veronderstelling dat Jezus,
gedurende de achttienjarige periode waar de Bijbel over zwijgt, ook de oceaan
is overgestoken.
Er
bestaat geen twijfel over dat de middelen om die reis te maken bestonden.
Eerder was er al sprake van dat reusachtige Phoenicische en Carthaagse
schepen in het 1e millennium v.C. de Atlantische Oceaan doorkruisten,
gevolgd door Romeinse schepen die de routes in later eeuwen leerden kennen. Er
bestaan documenten dat de Romeinen zeeschepen hadden van 1200-1600 ton met een
lengte van 60 mtr (180 ft) en een mast van 15 mtr (45 ft) en met een laadruim
van ruim 14 mtr (44 ft) diep. Josephus schrijft dat hij voer op een Romeins
passagierschip met 600 personen en Handelingen 27:9-36 vertelt dat Paulus voer
op een Romeins schip, te zamen met 276 mensen in een gevaarlijk zeilseizoen.
Ook zijn in de Nieuwe Wereld Romeinse kunstproducten
gevonden. Boland schrijft over Romeinse kunst gevonden aan de
Amerikaanse oostkust. In ‘Saga America’ documenteert dr.Barry Fell
Romeinse munten, kunstproducten en inscripties, ontdekt in de Amerikaanse
staten Alabama, Tennessee, New Hampshire, Massachusetts, Connecticut, Georgia
e.a. Dr.Fell schrijft over Joodse munten uit de 2e eeuw n.C. die zijn gevonden
in Kentucky en constateert dat in het Missouri-Arkansas grensgebied de vaarroutes
van Judea naar Noord-Amerika bekend waren in het vroegchristelijke tijdperk.
Over een Hebreeuwse inscriptie schreef hij het volgende: “...de Bat-Creek
steen van Tennessee werd door onderzoekers van het Smithonian Institute verondersteld als afkomstig van
Cherokee Indianen, maar door alle Hebreeuwse geleerden die het hebben
bestudeerd, herkend als een Hebreeuwse tekst uit de 1e eeuw n.C.
Dr.Robert Stieglitz uit New York leest het ‘Als een komeet voor de Hebreeën’,
refererend aan de komeet van Halley die ‘boven Jeruzalem hing als een
vlammend zwaard’ in het jaar 69 n.C. tijdens de eerste opstand... Dit
getuigenis duidt erop dat Kentucky en Tennessee vluchthavens werden voor de
vervolgde Hebreeën...”
Het
bovenstaande beschrijft Joden uit Judea die in de 1e eeuw n.C. naar het oude
Noord-Amerika reisden, enkele tientallen jaren na Jezus’ leven. Hieruit
wordt ook de bekendheid met de transatlantische routes duidelijk.
Er
is een tekst in de Bijbel die aangeeft dat Jezus lichamelijk gewend was aan de
effecten van lange zeereizen. Marcus 4:35-41 beschrijft een gebeurtenis
waarin Jezus en zijn discipelen het meer van Galilea overstaken en door een
storm werden overvallen. Vers 37 zegt: “En er stak een zware stormwind op
en de golven sloegen in het schip, zodat het schip reeds vol liep. Maar Hij
zelf lag op het achterschip tegen het kussen te slapen”. Nadat de
discipelen Hem in paniek hadden wakker geschud, bang voor hun leven, bestrafte
Jezus de wind en zei tegen de zee: “Zwijg, wees stil!” en er
heerste een onmiddellijke rust. Klaarblijkelijk
had Hij liggen slapen op het benedendek. Hebreeën 4:15 vertelt ons dat Jezus
zowel mens als Zoon van God was en dat Hij “in alle dingen op gelijke
wijze als wij is verzocht geweest”. Als Jezus alle menselijke ervaringen
met ons deelde, was ook zijn lichaam onderworpen aan zeeziekte. Dat Hij in
staat was in een zware storm te slapen op een rollend en stampend schip, wijst
erop dat zijn lichaam daarvoor al gewend was geraakt aan de deining van de
zee en het beuken van de golven. Zijn betrokkenheid bij de internationale
handel van Jozef van Arimathea zal Hem genoeg tijd hebben gegeven om
‘zeebenen’ te ontwikkelen. De bijbeltekst geeft ons de indruk dat deze
storm voor de vissers de zwaarste was die zij op het meer ooit hadden
meegemaakt, maar Jezus zal op een open oceaan wel andere ervaringen hebben
gehad met zware stormen, zodat het niet verwonderlijk was dat Hij in staat was
rustig te slapen, zoals het bijbelverhaal vertelt.
Ook
een andere bijbeltekst ondersteunt de gedachte dat Jezus buiten Palestina
vertoefde in zijn ‘verborgen jaren’. In Johannes 10:16 heeft Jezus een
discussie met de Joden waarin Hij zegt: “Nog andere schapen heb Ik die
niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem
horen en het zal worden één kudde, één herder”
In
Mattheüs 10:6 en 15:24 verwijst Jezus naar de ‘verloren schapen’ van het
Huis van Israël (tien stammen). In Marcus 6:34 beschouwde Jezus de menigten
die Hem volgden - de meesten van hen waren afkomstig uit Judea - als
‘schapen’ zonder herder. Schapen verblijven
in stallen of schaapskooien; maar wat werd door Jezus bedoeld met zijn
beeldspraak dat Hij schapen had in meer dan één stal? Jezus verwijst naar
Judea als ‘deze stal’, maar vertelt de Joden dat het niet de enige
stal is. Het is duidelijk dat de ‘andere stal’ zich bevond waar de
nakomelingen van de tien stammen van Israël leefden. “Andere schapen heb
Ik” (in een andere stal); het gebruik van de tegenwoordige tijd wil
zeggen dat het al een voldongen feit was. Hij had al schapen (volgelingen) in
een andere stal dan die van Judea. Aangezien er geen gegevens zijn over
Jezus’ verblijf in Judea tussen zijn twaalfde en dertigste jaar, is het heel
goed mogelijk dat Hij gedurende die achttien jaren de nakomelingen van het
tienstammig Israël heeft bezocht en hen het goede nieuws heeft gebracht.
De
boeken van de vier apostelen zijn ooggetuigenverslagen van Jezus’ bediening
voor het Huis van Juda, die drieëneenhalf jaar duurde. Niets van zijn
bediening voor het Huis van Israël is voor ons in de Bijbel neergelegd,
ofschoon de Bijbel laat doorschemeren dat dit gebeurde vóór Jezus’
bediening in Judea. Het leven van Jezus, zoals het wordt voorgesteld in het
Nieuwe Testament is als een boek waarin alleen de eerste en laatste
hoofdstukken voorkomen en waar het middengedeelte, het grootste deel, uit is
weggelaten!
De
apostel Johannes schreef dat de evangeliën niet voorzien in een volledig
verslag van het leven van Jezus Christus. Joh.21:25 zegt: “Er zijn echter
nog vele andere dingen die Jezus gedaan heeft; indien deze een voor een
beschreven werden, dan zou, naar ik meen, de wereld zelf de boeken, die
geschreven werden, niet kunnen bevatten”.
Johannes’
verklaring dat het leven van Jezus buitengewoon actief en veelbewogen is
geweest is uiterst belangrijk omdat de Bijbel niets zegt over zijn leven
tussen twaalf en dertig jaar. Het is logisch dat veel van Jezus’ niet
beschreven activiteiten waar Johannes aan refereert niet in Judea hebben
plaatsgevonden, anders zouden ze in de evangeliën te vinden zijn. Dit is
verenigbaar met de legenden dat Jezus reisde naar andere delen van de wereld.
Er
zijn redenen om aan te nemen dat de respons van de tien stammen van Israël op
Jezus gunstig was. Daar enkelen van de Parthische overheid waren gekomen om
Jezus hulde te brengen toen Hij nog een kind was, zullen zij Hem als jongeman
waarschijnlijk geestdriftig hebben ontvangen in hun rijk in het Midden-Oosten.
De positieve legenden over de eerste Quetzelcoatl die de bijbelse feiten over
Jezus’ leven evenaren geven aan dat Hij een blijvende, gunstige indruk
maakte in de Nieuwe Wereld. De druïden van de Britse Eilanden en
noordwest-Europa verwachtten sinds lang een redder genaamd Yesu (Yeshuah) en
de legenden van de vroege Britten vertellen over een warme ontvangst van Jozef
van Arimathea en andere vroege christenen. Het is duidelijk waarom Jezus de
Joden voorhield dat Hij ‘schapen had in een andere stal’.
Het
Nieuwe Testament vertelt dat Jezus geliefd was bij de gewone mensen van het
Huis van Juda. Inderdaad, wie zou negatief kunnen reageren op iemand die op
wonderlijke wijze zovelen tot steun was en hen bij ziekte genas? Het was de
Joodse hiërarchie die negatief tegenover Jezus stond. De reden is eenvoudig.
De tien stammen van Israël waren soevereine naties in de tijd dat Jezus hen
bezocht. Zijn missie sloot niet een fysieke redding in van onderdrukkers, want
die hadden zij niet, in tegenstelling tot de Galileeërs en Judeeërs, die
graag bevrijd wilden worden van de Romeinse overheersing. Hun overheid had
weinig interesse in een boodschap van geestelijke redding; zij verlangden een
Messias die hun een fysieke redding zou brengen uit de klauwen van Rome!
Toen
Jezus tegen de dertig liep, nam Hij afscheid van de internationale
handelsmaatschappij van zijn oudoom en van zijn ‘schapen van de andere
stal’ en keerde terug naar zijn geboorteland Judea. De gelukkige en voldoening
gevende jaren van internationale verantwoordelijkheid en warme ontmoetingen
met diverse, veraf wonende mensen waren voorbij. De moeilijke jaren van zijn
aardse opdracht lagen voor Hem en Hij wist het.
Het
Nieuwe Testament leert dat als Jezus Christus had gefaald in zijn missie, God de
Vader, de Eeuwige van het Oude Testament, niet zou hebben toegestaan dat ook
maar een enkel mens het eeuwige leven zou beërven, want de mensheid zou geen
verzoenend offer hebben. Als Jezus faalde zou de gehele mensheid met Hem
sterven. Deze jonge man van Juda, met het koninklijke bloed van David in zijn
aderen, en vervuld met de Heilige Geest van zijn Vader, de Almachtige God, moet
een geweldige last op zijn schouders hebben gedragen
toen Hij zijn laatste reis naar huis maakte. Hij moet het gevoel hebben
gehad dat Hij ‘de wereld moest torsen’ toen Hij terugkeerde naar Judea.