JUICHEN IN DE ELLENDE

 

“14  Daarginds verheft men zijn stem en jubelt; over de majesteit des Heren juicht men van de zee af. 15  Eert daarom de Here in de stre­ken des lichts; in de kustlanden der zee de naam van de Here, de God van Israel. 16 Van de zoom der aarde horen wij psalmen: heerlijkheid voor de rechtvaardige. Maar ik zeg: Verloren, verloren ben ik, wee mij! Verraders plegen verraad, ja, verraders handelen verraderlijk.” (Jesaja 24:14-16)

Als we hoofdstuk 24 van de profetieën van Jesaja doorlezen, is dit vers volkomen in strijd met wat er verder in dit hoofdstuk staat. De aarde wordt onderstboven gekeerd, barst open, de mensen komen om en er blijven maar weinig stervelingen over. En dan is er toch een plaats waar men jubelt en juicht.

Het is kenmerkend voor de profetieën in de Bijbel, dat overal waar het oordeel wordt aangekondigd – en dat moet helaas heel dikwijls gebeuren – er meteen ook sprake is van verlossing en redding.

Als er ooit sprake is van zware oordelen, dan wel in Jesaja 24. Het woord dat hier in de grondtekst staat kan ook vertaald worden door ‘land’, maar de beschreven gebeurtenissen slaan duidelijk op meer dan plaatselijke of landelijke rampen. In de geschiedenis zijn er meermalen rampen geweest, die in de Bijbel worden beschreven en aangekondigd in en voor een be­paald land, die ook wereldwijd grote invloed hebben gehad. Tijdens de uittocht uit Egypte en de intocht in het beloofde land gebeurden er niet alleen in die plaatsen natuurlijke rampen, maar ook op vele andere plaatsen op aarde.

De grootste ramp die de Bijbel beschrijft is wel de zondvloed, maar ook veel eerder zijn er grote rampen geweest, die de hele planeet aarde betrof­fen en waar overal nog de gevolgen van gevonden worden. De Bijbel begint met “Ïn den beginne schiep God hemel en aarde”. Wanneer dat was weten we niet. Het volgende vers vertelt dat de aarde woest en leeg was (geworden). Dat moet ook het gevolg geweest zijn van een grote ramp en we weten ook niet hoe lang de aarde woest en leeg geweest is.

Jesaja 24 wijst op wereldwijde rampzalige gebeurtenissen en er is meerma­len op gespeculeerd wanneer dit zou plaatsvinden.


Zelfs de huidige maand mei is genoemd in verband met de stand van de planeten. Er zijn gelovigen die het noemen van een bepaalde tijd meteen afwijzen of zelfs belachelijk maken, maar de oordelen die de Bijbel be­schrijft in Oude en Nieuwe Testament zijn nog lang niet allemaal gebeurd. We moeten er dus op rekenen dat die gebeurtenissen nog zullen komen en daar oordelen altijd het gevolg zijn van de zonden van het volk, is het noodzakelijk op de tekenen van de tijd te letten. Die kunnen ons namelijk duidelijke aanwijzingen geven over de mogelijkheid dat het in onze tijd gaat gebeuren.

We leven in de dagen van de grote afval, we leven in een tijd van geweld, het is een tijd van wetteloosheid wat Gods wetten betreft. Dat is niet de eerste keer in de geschiedenis, maar de geschiedenis leert ons wel dat in tijden van verval van de moraal het schijnbaar (economisch) erg goed gaat, maar dat zo’n periode van geestelijke en morele achteruitgang altijd aan de ondergang van de betreffende beschaving voorafging.

Goddelijk ingrijpen in de geschiedenis wordt wel symbolisch voorgesteld als grote natuurrampen, maar dat ingrijpen kan ook tot stand komen door natuurrampen. We weten niet precies wat er gebeurde toen Jozua de zon en de maan opriep tot stilstand, waardoor die dag bijna twee dagen duurde, maar we zijn er wel zeker van dat dit overal op aarde gevolgen heeft ge­had.

De toestand in de wereld en in ons eigen land is moreel zo, dat velen zich ongerust maken, terwijl er slechts weinigen zijn die protesteren en tegen de stroom in willen gaan. Er zijn maar weinigen die zich willen inzetten voor de bestrijding van abortus en euthanasie. Tegen (zinloos) geweld komen alleen grote protestacties als dit geweld leidt tot de dood van onschuldigen, maar de velen die geestelijk en lichamelijk gewond raken door ditzelfde geweld krijgen nauwelijks aandacht en ondertussen gaat dat geweld ge­woon door, want de leus is “Vrijheid”, je mag doen wat je wilt en ieder mens is zijn of haar eigen autoriteit. Gezag wordt niet erkend en we erken­nen alleen mensenrechten zonder ons te realiseren dat rechten verkrijgen berust op plichten nakomen. Zo krijgen misdadigers allerlei verzorging en begeleiding, terwijl hun slachtoffers maar moeten afwachten of hun ook recht wordt gedaan.


Als gelovigen mogen we weten dat onze hemelse Vader recht zal doen aan zijn kinderen en zijn volk. We zien daar naar uit en we verlangen er naar. Ondertussen mogen we ook getuigen van Gods grote plan van herstel van de schepping. Onze Here Jezus heeft door zijn dood en opstanding het herstel van Israël mogelijk gemaakt en via zijn volk zullen alle volken gezegend worden, die Hem erkennen als Messias en Heer. Zij zullen Hem moeten erkennen, maar Hij wil graag dat wij Hem vrijwillig erkennen en dienen. Dan zullen we zonen Gods worden en medeerfgenamen.

G. van der Laan

Het gaat over Israël     7

 

Jozua                                                   

Onder Jozua trekt het volk Israël het beloofde land binnen om het in bezit te nemen.(Joz.1:11). De omvang van het land zoals beloofd in Gen.15:18 heeft het echter nooit bereikt. Dat is dus nog toekomst. In Deuteronomium 7 wordt uitvoerig beschreven hoe zij zich dienden op te stellen tegen de bewoners van het land; hen verdrijven, met de ban slaan, uitroeien, geen verbond sluiten en alles wat met hun godsdienst te maken heeft vernieti­gen. En als zij doen zoals God hun had opgedragen, zal Hij hen daarbij steunen (Deut.19:1) 1) . Dat het volk de opdracht maar voor een deel heeft uitgevoerd is een trieste aan­gelegenheid, die ernstige gevolgen heeft gehad voor het verloop van de geschiedenis van Israël.

Tijdens het bewind van Jozua diende het volk de HERE, maar na zijn dood deed 'Israël wat kwaad is in de ogen des HEREN" (Richt.2:11). Want '...na hen kwam een ander geslacht dat de HERE niet kende, noch het werk dat Hij voor Israël gedaan had' (Richt.2:10). Oorzaak: het volk had verzuimd 'de grote daden des Heren' door te geven aan het nageslacht, zoals hun met grote nadruk was opgedragen (Deut.4:9;10; 6:7; 32:46; Joz.4:6). En het volk diende de Baäls en de Astartes (Richt.2:12,13; 8:33,34). (Baäl en Astarte waren de algemene namen voor de mannelijke en vrouwelijke vrucht­baarheidsgoden. Astarte komen wij later nog tegen als "de ko­ningin des hemels" in Jer.7:18 en 44:17) 2).

'Dan ontbrandde de toorn des HEREN tegen Israël; Hij gaf hen in de macht van plunderaars, die hen uitplunderden, en Hij gaf hen over in de macht van hun vijanden rondom hen, zodat zij niet meer tegen dezen kon­den stand houden' (Richt.2:14).

Maar steeds weer zorgde God voor richters, die het volk tot de orde riepen. Tot het opnieuw tot afgoderij verviel. Jozua wordt beschouwd als eerste richter en Samuël, de profeet des HEREN (1 Sam.3:20), als laatste. In een periode van ongeveer 450 jaren (Hand.13:20) traden veertien richters op.

 


Samuël

Samuël stelde zijn beide zoons Joël en Abia als zijn opvolgers aan (1 Sam.8:1,2). Maar zij werden door het volk niet geaccepteerd wegens hun wangedrag (winstbejag (1 Sam.8:3). Daarom vraagt het volk een koning om hen 'te richten als bij alle andere volken' (l Sam.8:5). En hier­mee verwierpen de Israëlieten hun God als Koning (1 Sam.8:7). Toch geeft God Samuël de opdracht naar het volk te luisteren (:9) maar hen wel zeer ernstig te waarschuwen voor de gevolgen (:10-18). Zou God dan zo ineens van “gedachten” zijn veranderd? Integendeel. God had voorzien dat Israël eens een aardse koning zou wensen (Deut.17:14-20) 3). Alle waarschu­wingen ten spijt blijft het volk bij het eens genomen besluit en opnieuw zegt God tegen Samuël naar het volk te luisteren. Daarop “aanvaardt” God zijn verwerping en geeft Samuël de opdracht een koning aan te stellen (1 Sam.8:22). Maar Israël blijft Zijn Koninkrijk en de troon de troon des HEREN (1 Kron.17:14; 29:23). Hij alleen kan het kwaad ombuigen tot heil van het volk.

 

Saul

Hoewel de koning  zoals voorzegd in Gen.49:10 - uit de stam Juda zou voortkomen, zalft Samuël Saul uit de stam Benjamin tot koning over Israël (1 Sam.9:15-17; 10:1,17-25). Zijn regering kunnen wij dus beschouwen als een interim-regering.

Saul is menselijkerwijs gesproken een goede koning geweest en een zeer dapper man (1 Sam.14:47-48) en zeker geen mislukking zoals wel eens wordt gedacht. Toch is gebleken dat hij niet de ware plaatsbekleder van God op aarde was. Reeds na twee jaren regering overtreedt Saul de gebo­den en wordt hem aangezegd dat zijn koningschap niet bestendig zal zijn (1 Sam.13:9-14).

Als een aantal jaren later de Filistijnen zich verzamelen om tegen Israël een veldtocht te ondernemen, wordt Saul bevreesd en vraagt de HERE om raad, “maar de HERE antwoordde hem niet” (1Sam.28:6). Dan neemt Saul zijn toevlucht tot het raadplegen van een waarzegster (1 Sam.28). Dat is nu iets wat de God van Israël uitdrukkelijk heeft verboden (Lev.19:31; 20:27; Deut.18:10-12; 1 Sam.28:3; 2 Kon.23:24; Jes.8:19).


Na een veertigjarige regering is Sauls einde zelfmoord (1 Sam.31:4; 1 Kron.10:4). “Zo stierf Saul, omdat hij de HERE ontrouw geweest was ja, zelfs de geest van een dode ondervraagd had” (1 Kron.10:13). En zeer veelzeggend staat er in 1 Kron.10:14: “Daarom doodde Hij hem en deed het koningschap overgaan op David de zoon van Isaï.”

 

David

Nog voor de dood van Saul wordt David uit de stam Juda (Gen.49:10; Matth.1:2-6; 1 Kron.2:3-16) door Samuël gezalfd tot koning over Israël (1 Sam.16:12,13). Na Sauls einde wordt David gezalfd door de mannen van Juda (2 Sam.2:4). Hij regeerde te Hebron over Juda zeven jaar en zes maanden (2 Sam.2:11). Het overige deel van Israël werd geregeerd door Sauls zoon Isboseth, die door Abner – legeroverste van Saul– tot koning was gemaakt (2 Sam.2:8-10). Dat betekende burgeroorlog. Maar “gaan­deweg werd het huis van David sterker en het huis van Saul gaandeweg zwakker” (2 Sam.3:1).

Aan de levens van Isboseth en Abner komt een einde door moord (2 Sam.4:7; 3:27). Dit wel zeer tegen de wil van David (2 Sam.4:9 ev; 3:28 ev), vooral waarschijnlijk omdat Abner de bedoeling had de noordelijke stammen in Davids handen te spelen en hij hiervan op de hoogte was.

Is dit nu alles wel zo belangrijk om te weten? de ene onverkwikkelijke gebeurtenis na de andere... Als wij echter geloven dat in de Bijbel God tot ons spreekt zullen wij om deze geschiedenissen niet heen kunnen.

Menselijke geschiedschrijvers verdoezelen nog al te vaak situaties, die hen niet aanstaan. Van objectieve geschiedschrijving is dan geen sprake. De God van Israël laat de werkelijkheid, de waar­heid zen zonder enige terug­houdendheid en ook zonder aanzien des persoons. Daarvan vinden wij in de geschiedenis van Israël veel voorbeelden. Hoe wij er ook over mogen denken; God wil de mensen inzicht geven in Zijn plan tot redding van de gehele mensheid. En in dat plan heeft elke gebeurtenis in de Bijbel be­schreven zijn eigen plaats en betekenis of wij dat nu begrijpen of niet.

 

1) Een merkwaardige tekst in Deut.7:22: “De HERE, uw God, zal die volken langzamerhand voor u uitdrijven; gij zult hen niet in korte tijd mogen vernietigen, opdat het wild gedierte u niet te talrijk worde”.

2) De godsdienst van Israël was niet zoals bij de heidenen op de natuur gericht, maar op de geschiedenis en Gods handelen daarin.

3) Voor de poging van Abimelech  om een koninkrijk te stichten zie Rich­teren 9.

J.Alberts


 

 

 

Algemene Jaarvergadering van de Bond Nederlands Israël.

 

De leden van de BNI hebben een brief met de agenda voor de Algemne Ledenvergadering van 27 mei a.s. ontvangen. Helaas ontbraken daar een paar punten aan , waar het gaat over enkele belangrijke voorstellen van het Bondsbestuur betreffende het opheffen van de BNI. Daarover is reeds een aparte ledenvergadering gehouden, die echter niet tot een besluit kon ko­men wegens een te geringe opkomst. We laten het betreffende punt van de Agen­da hier volledig volgen.

 

6.  Voorstellen:

a. Opheffing van de Bond Nederlands Israël.

b. Overdracht van de baten en lasten, zaken en verplichtingen van de Bond Nederlands Israël aan de Stichting "Nederlands Israël".

 

Ter informatie van de leden volgen hier de artikelen 1 t/m 3 van de Statu­ten der Stichting:

 

A. NAAM EN ZETEL.

 

Artikel 1.

1. Er is een STICHTING "NEDERLANDS ISRAËL", zonder winstoog­merk, gevestigd te Woerden, hierna te noemen: de stich­ting.

 

B. GRONDSLAG EN DOEL.

 

Artikel 2.

1.  De Stichting erkent de Bijbel als in zijn geheel het geïnspireerde Woord van God, dat leert:

a.    voor ieder persoonlijk de weg ter zaligheid alleen door Jezus Christus, de Zoon van God, de enige Redder der Wereld,

b.    het herstel van Israël in nationale zin.

 

Artikel 3.


1. De   Stichting neemt op grond van de Bijbel en de historie aan:

1.       dat het naar Assyrië in ballingschap weggevoerde Volk Israël voort­leeft  in thans bestaande volkeren, waarvan de kern voornamelijk wordt gevonden in Noord en West Europa, waaronder Nederland, en verder in Noord Amerika, Zuidelijk Afrika, Australië en Nieuw-Zee­land;

2.       dat de God van Abraham, Izaak en Jacob deze volkeren heeft afge­scheiden en de bepaalde en onher­roepelijke opdracht heeft gegeven om als Zijn dienaren en instrumenten het pad te effenen voor de uit­breiding van Zijn Koninkrijk op Aarde, ook op het terrein van het maatschappelijke, sociale en economische leven.

 

 

EEN CORRESPONDENTIE?

 

In het eerste nummer van dit jaar was ik doende met wat ons mogelijkerwijs te wachten staat en waarvoor we in grote lijnen gewaarschuwd zijn. Dat is dan wel zo, maar waarschuwingen worden dikwijls niet serieus genomen.

Persoonlijk mag ik mij gelukkig prijzen, dat ik er op zeker moment zicht op kreeg, omdat iemand daar eens even de tijd voor nam. Dat was wel even wennen aan een echt ander geluid, zogezegd een nieuw geluid. Ik dook volop in de nieuwe materie en moest, al doende, ook bij dat nieuwe geluid het kaf van het koren leren scheiden. Het bracht met zich veel lezen en de zaken overdenkend op een rijtje zetten en een beetje vallen en opstaan. Een beetje? Nou ja, ik heb bijvoorbeeld heel wat voorspellingen aan mij voorbij zien gaan, waarvan ik moest zeggen, dat het echt goed bedoeld was en meer was het dan ook niet. Ik heb ook veel goeds bedoeld!

Leren dus van eigen en andermans fouten, bijvoorbeeld, dat je niet zo gauw moet denken een profetie te begrijpen. Een profetie is gewoon geen voorspelling, daarvoor kun je wel naar een helderziende en sommige voorspellingen komen nog uit ook! En profetieën stellen nog al eens teleur. Er waren voorspellingen, die uitkwamen, “Ho ho zeg, weet je wel wat je zegt” hoor ik daar al roepen, “is dat soms jouw nieuwe geluid?” Dat echter is historisch te bewijzen: de voorspelling van de stormloop op de westerse vleespotten; de teloorgang van het milieu door menselijke onvoorzichtigheden en idem vele natuurrampen, die daardoor veroor­zaakt werden; de zegetocht van de moderne wetenschap met ongemakken (Jie daar weer door gevolgd werden en worden, enz. enz.


Natuurlijk komen de meeste voorspellingen niet uit en dat is met profetieën wel anders. Het, manco daarbij is het ongeduld van de mens. Dan hoor je van de “onvervulde profetieën” en in een andere zin van de “onverhoorde gebeden” (van een zeer gelovige dominee). Ik kan me dat alles zo goed indenken en ben dan in zowel het een als het ander een beetje voorzichtig geworden, ik geloof het alle­maal niet meer zomaar. Ik kan ook zeer goed begrijpen, dat anderen niet zomaar iets gaan geloven, omdat wij het zo enthousiast vertellen. Niet weinigen, die met goede bedoelingen op pad gaan en anderen willen overhalen God in hun leven toe te laten, komen, een beetje ruw gezegd, van een koude kermis thuis.

Ik kan hier nog een hele litanie van maken, maar nu wat korter gezegd. als ik bijbelse en aanverwante zaken be­spreek met anderen, familie of kennissen, gelo­vig of niet, probeer ik het altijd in ronde Hollandse termen te doen. Dan kan het nog moeilijk genoeg zijn voor mijn gesprekspartners Dit hele verhaal nu is de inleiding tot het volgende. Mijn vrouw en ik kijken wel eens naar feet programma Buitenhof van de VPRO, foei foei, ja hoor, dat doen we wel eens. Het wordt scherpzinnig gebracht, maar ik denk ook wel eens van dat zit niet goed, dat zie je fout. Dat was bijvoorbeeld zo bij een beschouwing, gehouden op 26 maart j.l. Een van de leden van de club hield een beschouwing over het optreden van de paus bij zijn bezoek aan Israël en diens woorden van spijt over bepaalde aspecten van de houding van de kerk ten opzichte van de Joden in de loop der tijden.

Ik ga nu niet het hele toespraakje van oommentaar voorzien, ik heb het ge­volgd, maar heb de volledige tekst niet en dat is voor mijn reactie ook niet nodig. Ik beperk me tot de constatering, dat de heer Zijderveld niet van de juiste gege­vens op de hoogte was. Het is niet mijn gewoonte op sprekers te reageren als ik vaststel, dat ze niet op de hoogte zijn, maar af en toe kan ik het niet laten. Derhal­ve heb ik hem de volgende brief gezonden:

 

Geaohte heer Zijderveld,

Als min of meer vaste toeschouwers volgden wij op zondag 26 maart j.l. de uitzen­ding van Buitenhof. Zoals gebruikelijk werd door u een afsluitende beschouwing gehouden. Deze keer over de tegenstelling, door de eeuwen heen, tussen Joden en Christenen en wat daaromheen zich afspeelde. Hierbij miste ik toch wel diverse cruciale historische gegevens, waarover hier een beperkte samenvatting.

Allereerst, kort geformuleerd en in grote lijnen, zijn de Joden een belangrijk deel van de stam Juda, nl. het deel dat terugkeerde uit de Babylonische gevangen­schap. Slechts een deel van Juda ging in die ballingschap, nl. de inwoners van Jeruzalem en naaste onigeving en ook daarvan niet allen. Van deze weggevoerden kwam ook weer maar een deel terug.


Het deel van Juda, dat buiten Jeruzalem en naaste omgeving gevestigd was, werd reeds eerder afgevoerd door de Assyriërs. De in de Assyrische ballingschap weggevoerden uit geheel Israël werden in de loop der geschiedenis aangeduid als de "verloren stammen". Van een collega met veel Joodse kennissen hoorde ik jaren geleden, dat bij gebedsdiensten in de synagoge voor de hereniging met die verloren stammen gebeden

werd. Deze hereniging is nog niet geschied.

De voornoemde collega zei mij ook, dat die kennissen op het standpunt stonden, dat Joden met de terugkeer naar het beloofde land moesten wachten tot de Messi­as het initiatief zou nemen! Het oude testament, door rabbijnen, aan de hand van voorhanden materiaal, te boek gesteld en globaal door de Christelijke kerken overgenomen, staat vol met verwijzingen over die van "hogerhand" te organiseren terugkeer. Wie eerder gaat doet dit op eigen risico! Men mag, als Jood of niet-jood, natuurlijk best sympathie hebben voor de Joodse staat en de daar wonende Jood-Christen-Moslim-gemeenschappen, maar weet dan hetgeen Zacha­ria in hoofdstuk 12 profeteert over de "inwoners" van 's-werelds toekomstige hoofdstad.

Apart uitgewerkt voeg ik nog bi.,j enige treffende punten uit oude testament alsine­de uit de profane geschiedenis.

Hoogachtend,

Enkele markante punten uit de voorgeschiedenis Juda-Israël.

 

Onderscheid tussen Juda (Joden) en de andere stammen in het Oude Israël, welk onderscheid er al was in een vroeg stadium.

David was eerst koning over alleen Juda, later ook over de rest en toen werd Jeruzalem zijn hoofdstad, Salomo volgde David nog op over het geheel, maar toen Salomo's zoon, Rehabeam, door ontactisch optreden de andere stammen van zich vervreemdde, brak er een opstand uit. (I. Koningen 12:1-1-4)

 

De Scheiding:

Rehabeam wilde de opstand neerslaan, maar werd hierin gehinderd door de pro­feet Semaja, die hem namens God kwam waarschuwen: "handen af van uw broe­ders, want door Mij is deze zaak geschied". (1 Kon. 12:24). Aldus is goddelijke interventie de bezegeling van de alleengang van Juda (Joden) door de wereldge­schiedenis.

 

Symboliek over de scheiding:

Aan de profeet Zacharia werd in een symbolische vorm deze episode aangehaald: "Daarop heb ik (Jahweh) mi,jn tweede staf, Samenbinding, verbroken, tenietdoen­de de broederschap tussen Juda en Israël". (Zach. 11:14).

 

De hereniging van Juda en Israël (nog komende):


De profeet Ezechiël moet de namen van Juda op een stuk hout schrijven en op een ander die van de rest van Israël. Deze beide stukken moet hij dan tot een samen­voegen, aldus, symbolisch verbeeld, hen weer tot een volk samenvoegend. (Ezech. 37:15-17).

Hieraan voorafgaand een symbolische en tevens Danteske voorstelling van de herrijzenis van Israël, welke zich echter in alle realiteit zal voltrekken in een zich bewustworden van de Israël-identiteit van het verstrooi­de Israël. (Ezech.37:1-14)

 

Jeruzalem-wereldhoofdstad:

Bij de profeet Micha vinden we een verhandeling over de toekomstige status van Jeruzal.em: "Want, uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem". (Micha 4:2).

Dit laatste is duidelijk nog niet het geval.

 

Profetie over Jeruzalem:

Uit “Rede over de laatste dingen” (Luc. 21-5-38 en Matt. 24).

“.... en Jeruzalem zal door de heidenen vertreden worden tot de tijden van de heidenen vervuld zijn".

Eerste heidense heerser over Jeruzalem: Nebukadnezar, koning van Babylon:

Laatste heidense heerser over Jeruzalem: de laatste sultan van Turkije.

In het oude testament, bij de Joden anders genoemd, maar dezelfde tekst, is een heiden een niet-Israëliet en verder niets discriminerend.

Turken door een Britse legergroep uit Jeruzalem verdreven op 9 december 1917. Saillant detail hierbij is, dat die dag van het vertrek van de laatste heidense heer­ser, dus 9-12-1917, regelrecht gerelateerd wordt aan het begin van "de laatste dagen", “het laatste der dagen" en dat is niet de rekbare eindtijd, maar het laatste stukje van die eindtijd.

 

U ziet, dat ik me houd aan voor iedereen bekend te veronderstellen of althans verkrijgbare informatie over Israël in de meest uitgebreide zin. De in onze kringen verkondigde, wat 'meer uitgewerkte visie op de bijzondere positie van Israël, heb ik eruit gelaten. Ik heb het dan ook niet gehad over de consequenties van de gere­leveerde feiten.

 

J.C. Koekebacker

 

 

 

 

 


                                                              BESCHOUWINGEN OVER HET OUDE TESTAMENT

door G.J. van Ojen

Overgenomen uit “Het Steenen Koninkrijk”

 

I

 

Egyptische invloeden op de eerste bijbelboeken.

 

Vooral in de laatste tijd, met name de laatste twee decennia is er een groei­ende belangstelling ontstaan voor de Bijbel en voornamelijk voor het Oude Testament. Wij mogen konstateren dat de mens als het ware onbewust grijpt naar het eeuwige. Hij zoekt iets waaraan hij zich kan vastklampen, zoals de spreekwoordelijke drenkeling aan de strohalm. Als hij zich maar boven water kan houden. Zo is het echter niet met de 'geestelijke drenk­eling'. Wil hij worden gered, dan moet hij zich vasthouden aan de Rots van zijn behoud - Jezus Christus - die de redder is van Zijn volk en in en door Zijn volk redding brengt voor de gehele mensheid. De levende Christus, die straks Zijn volk zal leiden in de grazige weiden van Zijn onvergank­elijk koninkrijk.

 

De oude Egyptenaren, die pas aan het begin stonden van de lange en moei­lijke weg van de godsdienstgeschiedenis, waren bezield met een eeuwig­heidsgedachte, proclameerden de on­sterfelijkheid van de ziel (Ba) en geloofden in een rechtvaardig godsoordeel na de dood (leer van Osiris). Het 'Egyptisch Dodenboek', vermoedelijk de oudste literatuur ter wereld, geeft hiervan een duidelijk bewijs.

 

Plutarchus heeft eens beweerd, dat een stad beter zonder fundamenten kan zijn, dan een staat zonder godsdienst. Werkelijke god­loochenaars zijn er eigenlijk niet. Denk slechts in dit verband aan Psalm 14:1. Wel zijn er mensen die het zichzelf en anderen trachten wijs te maken, maar volgens de atheïsten zelf is het atheïsme ook een soort van godsdienst.


Waar nu de ongelovige wetenschap de godsdienst en zijn geschiedenis tot voorwerp van studie heeft genomen, moeten wij als christenen, als gelovi­gen, toch zeker paraat zijn in geval van weten­schappelijke aanvallen en listigheden tegen Gods Heilig Woord bedacht. Wij moeten daarom alles met blijdschap en dankbaarheid begroeten wat ons tot hulpmiddel kan dienen om de Bijbel beter te verstaan en zodoende ook effectief tegenover onze tegenstanders te kunnen verdedigen. Hierbij mag geen middel onbe­proefd gelaten worden. Het "Onderzoekt de Schriften" is een opdracht die wij hebben te vervullen, een opdracht om Gods wil.

 

Wij willen nu voornamelijk iets zeggen over Genesis en Exodus, de eerste boeken van de Heilige Schrift. Zonder tegenspraak kunnen wij wel stellen dat de 'vijf boeken van Mozes, zoals de oude term luidt, reeds lang het voorwerp zijn geweest van meedogenloze kritiek, als wellicht geen ander boek van het O.T. Hierop heeft juist de wetenschap haar aanvallen gericht en nimmer het verband aanvaard tussen wat Gods Woord zegt en wat de menselijke geest beweert, nog erger, het wetenschappelijk archeologisch onderzoek ermee in tegenspraak acht ofwel het gehele bijbelverhaal ver­wijst naar het land van de mythen, verdichte verhalen, ontsproten aan een ongebreidelde fantasie.

Naast de kritische opvattingen die er bestaan over de herkomst van het eerste bijbelgedeelte, staan die van de zogenaamde astraal-'theologen, die in de hemellichamen en natuurkrachten die in het O.T. worden beschreven goden en godinnen menen te kunnen ontdekken die alles, ook de wereld der mensen, besturen.

 

Speciaal ten aanzien van de figuur van Mozes zijn de meest fantasierijke verhalen verspreid, waarop wij in een afzonderlijk artikel hopen terug te komen.

Wij moeten bedenken dat de hoofdpersonen van Israëls geschiedenis in het Oude Testament, als het ware dagelijks met de Egyptische maatschappij en cultuur in aanra­king kwamen.

Jozef kwam, nadat hij door zijn broers was verkocht, bij Potifar, de groot­vizier van Egypte, terecht en werd later onderkoning van dat land. Mozes werd opgevoed aan het Egyptische hof en onderwezen in de wijsheden der Egyptenaren (Hand.7:22).

 


Zeker, Abraham was afkomstig uit het oosten en daarom moet de invloed van Babel gedurende een lange reeks van jaren, in cultuur en religie, op hem wel bijzonder groot zijn geweest. Hij woonde immers eerst in Ur en na de verwoesting van deze stad in Haran, steden die het middelpunt vorm­den van de dienst aan de maangod Sin. Later heeft Abraham zelf in Egypte gewoond en verbleef ook in Kanaän – eigenlijk toen een wingewest van Egypte – waar hij zijn tenten opsloeg, hetzij in Sichem, hetzij in Hebron of elders aan de grote karavaanweg die Egypte met Kanaän en door dat land met de buurlanden, vooral met Syrië en Mesopotamië, verbond. Ook tij­dens zijn verblijf in Ur en Haran, is hij niet buiten de invloedssfeer van Egypte gebleven. Datzelfde geldt in nog grotere mate voor Izaäk en Jakob, maar vooral echter voor de meest op de voorgrond tredende personen als Jozef en Mozes, die vanzelfsprekend geheel op de hoogte waren van alles wat tot Egypte behoorde. Het volk Israël zelf woonde ruim vier eeuwen lang midden in het land van de farao's en het kwam ook na de verovering van het Beloofde Land, er voortdurend mee in aanraking, zowel door de grote leger- en karavaanwegen, als door de handel – vooral transitohandel – , door diplomatie, oorlogen en anderszins.

 

Wie ook maar enigszins op de hoogte is van de talrijke opgravingen in Palestina, vooral in de jaren vlak voor de tweede wereldoorlog, weet uit de rijke schat van het reeds opgedolven materiaal en de vele blootgelegde bouwwerken, hoe omvangrijk en diepgaand de invloed van Egypte op Kanaän is geweest, zelfs vóór de komst van Abraham, veel meer dan die van Babel.

Geleerden dus, die geen Egyptologen zijn en spreken over het eerste ge­deelte van de Bijbel als over niet-Mozaïsche boeken en zelfs de datum van het verschijnen ervan ná de joodse ballingschap vaststellen, moeten in hun onwetenschappelijke veronderstellingen en onder­zoeksresultaten inzake de boeken van Mozes, op grond van de wetenschap ten enenmale worden afgewezen.

Hoe meer men zich in de geschiedenis van het 'oude volk' verdiept, des te ruimer wordt de blik op zijn nieuwste geschiedenis. Er is geen volk ter wereld waarmee zo wonderbaarlijk is en wordt gehandeld als met het volk Israël, dat de geschiedenis van de mensheid op de schouders draagt.

 


HET LEVEN VAN JEZUS CHRISTUS

het nooit vertelde verhaal’door’Steven M. Collins

Vertaling T. Wijsman-Everaarts

 

Deel II

De ‘ontbrekende achttien jaren’

twaalf tot dertig jaar

 

Is het niet tegenstrijdig dat, terwijl Jezus toch de centrale figuur is van het Nieuwe Testament, er niets is geschreven over het grootste deel van zijn leven? De Bijbel vertelt ons iets over zijn beginjaren, heel veel over de laatste drie en een half jaar, maar niets over de leeftijd van twaalf tot dertig jaar.

Lucas 3:23 zegt dat Jezus ongeveer dertig jaar was, toen hij aan het begin van zijn bediening een bekende figuur werd in het openbare leven van Judea, maar waar was Hij geweest en wat had Hij gedaan in de tussenlig­gende achttien jaren? Aangezien de Bijbel geen direct commentaar geeft op deze periode, moeten wij ons voor informatie verlaten op niet-bijbelse bronnen. De stilte in het Nieuwe Testament over deze achttien jaren is veelbetekenend. Dat Lucas 1:2 zegt dat de evangelieverhalen ooggetuigen­verslagen zijn, geeft te kennen dat de evangelieschrijvers geen van de gebeurtenissen in Jezus’ leven van zijn twaalfde tot dertigste jaar hebben meege­maakt. Als Hij had geleefd in Judea of Galilea, zou het onmogelijk zijn geweest zo’n vroegwijze jongeman, die als kind zo’n eerbetoon had ontvangen van buitenlandse hooggeplaatste personen en die de tempelau­toriteiten versteld had doen staan met zijn briljante verstand, verborgen te houden. Was de geestelijke kracht die zich in de jonge Jezus manifesteerde latent geworden al die jaren? Onderdrukte Jezus deze geestkracht op zijn twaalfde, zodat Hij kon leven als een onbekende timmerman? Dat is hoogst onwaarschijnlijk!

De gebeurtenis in de tempel wees erop dat Jezus, om zijn goddelijke op­dracht te kunnen volgen, ten opzichte van zijn ouders in een loslatingspro­ces verkeerde.

 


Huidige onderzoekers zijn van mening dat Jezus spoedig na het tempelin­cident Palestina verliet. Er is bijbelse getuigenis die deze conclusie onder­steunt. Volgens het verslag van Mattheüs 13:54-56 werd Jezus na deze achttienjarige periode nauwelijks herkend in zijn vaderstad. Terwijl Hij op twaalfjarige leeftijd de tempeloudsten verbaasd liet staan door zijn wijsheid, de gewone mensen in de synagoge van Nazareth vroegen zich af nadat zij Jezus hadden horen spreken: “Vanwaar heeft Hij die wijsheid en die krachten?” Als Hij al die tijd aanwezig was geweest zou dat een dwaze vraag zijn. Zijn luisteraars vroegen ook: “Is dit niet de zoon van de timmer­man? Heet zijn moeder niet Maria, en zijn broeders Jakobus en Jozef en Simon en Judas? En behoren zijn zusters niet allen bij ons?” Dit betekent dat de mensen moeite hadden zich Jezus te herinneren en Hem te plaatsen. Het feit dat zij gemakkelijk al zijn directe familieleden konden benoemen en zeiden; behoren zij niet allen bij ons, wil dus zeggen dat Jezus niet bij hen was geweest. Hun spottende en vijandige houding wijst erop dat Hij lange tijd uit Nazareth was weggeweest, terwijl zijn broers en zusters in de gemeenschap waren gebleven. Het mag duidelijk zijn dat Jezus, als Hij zijn hele leven een hard werkende timmerman was geweest in Nazareth, Hij voor de burgerij een bekende geweest zou zijn. Nu spraken zij als waren zij nooit eerder getuige geweest van zijn wijsheid of zijn kracht!

 

Jezus’ wijsheid had, zo jong als Hij was, de meest geleerde Joodse leiders van de natie versteld doen staan. Aannemend dat Hij de daarop volgende achttien jaren in Nazareth had geleefd als een gewone  timmerman en niets van zijn wijsheid had getoond totdat Hij dertig jaar werd, zou men moeten geloven dat Hij de Heilige Geest die zo vurig in Hem brandde toen Hij twaalf jaar oud was, al die tijd had onderdrukt. In I Tessalonicenzen 5:19 wordt het christenen verboden de Heilige Geest ‘uit te doven’. Deed Jezus wat aan christenen is verboden? Dat is moeilijk voor te stellen! Toch ver­dedigt de traditie het dogma, dat Jezus onopvallend in Nazareth zou heb­ben geleefd totdat Hij dertig jaar werd.


Een logischer conclusie is dat Jezus, gedurende de ‘ontbrekende jaren’ niet als timmerman in Nazareth werkte. In feite maakt de Bijbel er geen mel­ding van dat Hij als volwassene ooit bezig is geweest met dat vak. Matteüs 13:55 verwijst naar Hem als een ‘timmermanszoon’, niet als een timmer­man. Volgens Lucas verklaart Jezus tijdens zijn ontmoeting met de tem­peloudsten dat zijn toekomst niet was verbonden met het beroep van zijn fysieke vader, maar dat Hij was geroepen door zijn geestelijke Vader in de hemel. Toen zijn ouders Hem een standje gaven voor zijn lange afwezig­heid antwoordde Hij­ immers: “Wist gij niet, dat ik bezig moet zijn met de dingen mijns Vaders?

Als kind in een timmermansgezin opgroeiend, was Jezus zeker vertrouwd met het vak, maar de Bijbel vertelt niet dat Hij het in Nazareth uitoefende tijdens de stille jaren. Het verslag van Marcus over Jezus’ bezoek aan de synagoge (6:1-6) haalt Zijn stadsgenoten aan die Hem een ‘timmerman’ noemen. Dit waren echter dezelfde mensen die moeite hadden Hem thuis te brengen, zoals de context bevestigt. Dat zij Jezus een timmerman noem­den, zal waarschijnlijk te maken hebben met het feit dat Hij een leerling was in de zaak van Jozef, zijn stiefvader, toen zij Hem voor het laatst hadden gezien.

Deze passage verklaart ook dat Jezus vier broers en tenminste twee zusters had. Hoe groot het aantal kinderen ook is geweest, het is duidelijk dat Maria een grote familie kreeg nadat Jezus was geboren. De Bijbel rept niet meer over Jozef in de jaren die volgden op het tempelincident. Omdat Maria en haar andere kinderen volgens de Bijbel in Nazareth leefden toen Jezus dertig jaar oud was en er over Jozef niet meer wordt gesproken, is het waarschijnlijk dat hij in die tussentijd is gestorven en aangezien Jezus al veel tijd doorbracht in het gezelschap van Jozef van Arimathea toen Hij jong was, zal deze Jezus’ voogd geworden zijn toen Jozef stierf. Jozef van Arimathea was zeker een goed rolmodel voor Hem, want Lucas 23:50 verwijst naar hem als ‘goed’ en ‘rechtvaardig’. Gegeven het feit dat Jozef van Arimathea als raadsheer een prominente plaats innam in de Joodse samenleving en Jezus’ vroegrijpe wijsheid bekend was aan de tempeloud­sten, hoe is het dan mogelijk dat er niets op schrift is gesteld over zijn activiteiten gedurende de ontbrekende achttien jaren? Het antwoord luidt: Hij was niet in Palestina gedurende die tijd!

 

Het was de gewoonte dat, met de dood van een vader, de oudste zoon (ook de jonge Jezus) verplicht was de zorg op zich te nemen voor het gezin. Aangezien Jozef van Arimathea echter een rijke bloedverwant was, die het economisch welzijn van de familie kon garanderen, was Jezus vrij om zijn werkelijke roeping in het leven te volgen. Ook de Magi hadden Hem bij zijn geboorte met kwistige hand kostbaarheden geschonken, die beslist door zijn ouders of door Jozef van Arimathea in beheer zullen zijn geno­men. Jezus kon dus uit deze rijkdom putten om in de behoeften van zijn familie te voorzien zonder als timmerman te moeten werken.


In ‘The traditions of Glastonbury’ voert de schrijver E.Raymond Capt aan dat Jozef van Arimathea handel dreef op internationaal niveau en tinmij­nen bezat op de Britse eilanden, die al tenminste sedert de regering van koning Salomo door groepen Israëlieten (Danaäns en Simonii) waren gekoloniseerd. En toen de Assyriërs het oude Israël veroverden kwamen daar nog grote aantallen vluchtelingen bij, zodoende een goede basis vor­mend voor een Israëlitische populatie. Het behoeft niemand te verbazen dat Jozef van Arimathea, een prominent lid van het volk van Juda, handel dreef met telgen van de andere Israëlvolken. Capt citeert Gildas Badoni­cus, een Britse historicus uit de zesde eeuw, die verwijst naar Jozef van Arimathea als een ‘nobilis decurio’. Het feit alleen al dat een Britse histo­ricus over Jozef van Arimathea schrijft, geeft gewicht aan verhalen dat hij was betrokken bij gebeurtenissen in het vroege Brittannië. Capt bevestigt Jozefs rol als volgt: “Dezelfde titel ‘decurio’ (van toepassing op Jozef van Arimathea) is gebruikt door St. Jerome in zijn vertaling van de Vulgaat van St.Marcus ‘eerwaarde raadsheer’ (Marc.15:43) en St.Lucas ‘raadsheer’ (Luc.23:50). In de Romeinse wereld duidt ‘decurio’ op een belangrijke functie, gewoonlijk verbonden aan het algemeen management van een mijndistrict. Een natuurlijke gevolgtrekking is dat Jozef in Brittan­nië was belast met Rome’s belangen in de mijnindustrie. Zo’n positie bracht mee dat Jozef dikwijls geruime tijd in het buitenland moest door­brengen”

Jozef moet inderdaad een vooraanstaande figuur in de Romeinse wereld geweest zijn dat hij onmiddellijk op zijn verzoek toegang kreeg tot Pilatus, de bestuurder van Judea, gedurende de intense verwarring tijdens de krui­siging (Marc.15:43-45). Tenzij Jozef van Arimathea bekend was en ver­trouwd werd door Pilatus en de Romeinse overheid in Judea, zou hij hem niet zo gemakkelijk hebben kunnen benaderen op zo’n gevoelig en kritiek moment. Capt verklaart ook dat in die periode zowel de Joodse als Ro­meinse wetgeving voorschreef dat lichamen van misdadigers in een ge­meenschappelijke kuil moesten worden gegooid om elke herinnering uit te wissen, tenzij een lichaam direct na de executie door een familielid werd opgeëist. Het feit dat Jozef van Arimathea zich aanmeldde om Jezus’ lichaam op te eisen is overtuigend bewijs dat Jezus en hij een familierela­tie hadden. Dat hij geen toestemming vroeg aan een of andere ambtenaar, maar direct Pilatus benaderde, wil zeggen dat hij gewend was zaken te doen op hoog niveau.


Wat kan er verteld worden over de bezigheden van Jozef van Arimathea en Jezus in de periode dat ze samen optrokken. Als Jozef het voogdijschap had, zal Jezus heel wat gereisd hebben, gegeven het feit dat de zaken van zijn oudoom ook de internationale handel van die dagen betroffen. Al is de volgende informatie gebaseerd op legenden en tradities, de Bijbel onder­steunt stilzwijgend de gedachte dat Jezus lange tijd afwezig was. Het is duidelijk dat Hij ergens naar toe ging en legenden en tradities bieden het enige houvast. Zij bevestigen dat Jozef van Arimathea en Jezus niet alleen aanwezig waren in Brittannië, maar dat zij huizen hadden in de buurt van Glastonbury, Engeland. Deze beweringen ondersteunend, zegt Capt dat Glastonbury twee namen droeg uit oude tijden; ‘Secretum Domini’ en ‘Domus De_’. William Stuart Mc.Birnie in zijn boek ‘The Search for the Twelve Apostles’ schreef ook: “Het is zeker dat er geen andere traditie bekend is betreffende de geschiedenis van Jozef van Arimathea en omdat de Britse traditie zo sterk is zien wij geen reden om het te bestrijden...Aangezien in geen ander land er zo’n sterke traditie bestaat over sommige apostolische figuren, kunnen wij uitgaan van de mogelijk­heid, zo niet de werkelijkheid. Zo is het met...St.Joseph”

Capt put ook uit een 15e eeuws document dat vermeldt dat koning Arvira­gus van het Engeland uit de 1e eeuw door Jozef van Arimathea tot het christendom werd bekeerd en dat deze vroege koning hem en zijn metge­zellen twaalf stukken land gaf in de buurt van Glastonbury. Deze schenk­ing, waarover geen belasting behoefde te worden betaald, wordt eveneens vermeld in het Domesday Book uit de vroege Engelse geschiedenis onder de titel ‘Domus Deï’. Het feit dat dit land in twaalf stukken werd gedeeld is belangrijk. Was deze symboliek door God geïnspireerd...voor elk van de twaalf stammen van Israël een deel?


De druïden, schrijft Capt, vereerden de god Beli, de schepper van het verleden; Taran, de controlerende voorzienigheid van het heden; en Yesu, de komende redder van de toekomst als een drieëenheid. De naam Beli houdt in het Hebreeuwse woord voor ‘Heer’ en in hun verwachtingen van de komende redder Yesu, liep het druïdisme vooruit op het christendom en verwees naar de komende redder onder dezelfde naam waarmee Christus wordt genoemd. De naam ‘Jezus’ is een Griekse vertaling; de Hebreeuwse naam zal waarschijnlijk ‘Yoshua’ zijn wat ‘redding’ betekent. Het voorko­men van He­breeuwse woorden in de druïdische religie van Brittannië wijst erop dat het wortels had in de religie van het oude Israël. Dit is logisch, gezien de dominante aanwezigheid van Israëlieten in Brittannië door het gehele  1e millennium v.C.

 

Andere oude legenden vertellen dat Jezus naar het oosten reisde, tot India en Nepal. Er is een bijbelse basis voor de legenden dat Jezus zowel het westen, de Britse Eilanden, bezocht als het oosten. In Matteüs 15:24 zegt Jezus: “Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het Huis Israëls”. Het Huis van Israël verwijst naar de weggevoerde stammen van het noordelijke koninkrijk, meegerekend de vroege Britten, de Sacae/Saka Scythen en de Parthen in Asia. Aangezien het gebied van de heersende Parthen/Saka zich uitstrekte tot in India, konden groepen Israëlieten ook daar gevonden worden. Omdat Jezus zei dat Hij was ‘gezonden’ naar die tien stammen is het logisch dat hij daarheen ging waar de verschil­lende stammen van het Huis van Israël in de 1e eeuw n.C. leefden. Omdat zowel de Britse Eilanden als zelfs delen van India (oostelijk van het Parthische rijk) toentertijd werden bewoond door stammen van Israël, zou Jezus’ aanwezigheid onder deze mensen een vervulling zijn van dat schrift­gedeelte.

 


Zoals we eerder hebben gezien leefde Jezus tijdens een periode van vrede tussen Parthië en Rome. Gedurende deze periode bloeide de handel tussen de kooplieden van beide rijken. Rawlinson schrijft in zijn boek ‘The Sixth Oriental Monarchy’ dat deze handel ‘aanzienlijk’ was en dat de kooplieden ‘verschillende metalen en talrijke vervaardigde artikelen’ van Rome naar Parthië brachten. Jozef van Arimathea, hebben we gezien, was betrokken bij de mijnindustrie (metalen) en Judea was zijn thuisland, een ideale situatie om de export via de handelsroutes over land te bevorderen. Het is voorstelbaar dat zijn handelsimperium ook de export van metaalproducten naar Parthië en Asia in het pakket had. Toen Jezus opgroeide, werd hij waarschijnlijk een vertrouwd gezicht in de internationale onderneming van zijn oudoom. Wie zou dus beter geschikt zijn dan Jezus om Jozefs belang­en in de Parthische gebieden te behartigen? De Magi, behorend tot de regerende klasse, kenden Hem al vanaf zijn prille jeugd! Jezus kon verze­kerd zijn van een zeer warme ontvangst in dat land en dankzij de gunst van de Megistanen zou Hij toegang hebben tot die landen die behoorden tot de invloedssfeer van Parthië. Jezus’ aandeel in de internationale handel van zijn voogd verschafte Hem een ideale gelegenheid om die gebieden te bezoeken waarnaar de tien stammen toegetrokken waren, zoals Brittannië, Scythië, Parthië en andere oosterse locaties.

 

Er bestaat nog een andere mogelijkheid. Tijdens de drie jaar durende droogteperiode (de profeet Elia, 9e eeuw v.C.) en als gevolg daarvan de hongersnood in Israël trokken velen, in tijden van oorlog of andere onheil­brengende gebeurtenissen door landgenoten gevolgd, naar Noord-Afrika en stichtten daar Kirjath Hadeschat, ‘nieuwe stad’, door de Grieken Kar­chedon en de Romeinen Carthago genoemd. Zoals de geschiedenis leert, groeide deze stad uit tot een machtig rijk, dat met zijn vloot de Middel­landse Zee beheerste en de oceanen bevoer. Het Israëli­tisch/Phoenicische en Carthaagse rijk stichtten handelsposten, niet alleen rond de Middelland­se Zee, maar ook in Noord-Amerika. Tijdens de Punische oorlogen zullen Carthagers Noord-Afrika zijn ontvlucht en hun heil, na de val van de hoofd­stad, hebben gezocht in de Noord-Amerikaanse koloniën.

De Punische kolonie bleef bestaan tot ongeveer 500 nC, er was dus een belangrijke Israëlitische beschaving in Noord-Amerika in de tijd dat Jezus leefde. Omdat Jezus die gebieden op de aarde bezocht waar zich nakome­lingen ophielden van de tien stammen, zou Hij dan ook niet het oude Noord-Amerika hebben bezocht? Het verrassende antwoord is mogelijk bevestigend!

 

Laten we de legenden van Quetzelcoatl eens in ogenschouw nemen. Quet­zelcoatl wordt gewoonlijk afgebeeld als een slangengod, maar er zijn legenden die ons heel wat anders vertellen. In ‘Voyages to the New World’ van Nigel Davies is een verzameling Quet­zelcoatl-legenden opgenomen. Deze legenden vertellen dat Quetzelcoatl ‘een blanke huid had’ en...’ volgens de traditie werd terug verwacht...   echter maar een keer, in menselijke gedaante, en dat ondanks de jammerklachten van zijn volk, Quetzelcoatl op een lange reis ging naar een plaats in het oosten waar hij zijn einde tegemoet moest zien’, dat ‘hij opvoer naar de hemel en daar binnenging’ en dat ‘hij vier dagen verbleef in het land van de doden en op de achtste dag opnieuw verscheen als de Morgenster’. Davies ver­klaart ook dat Quetzelcoatl werd afgebeeld als ‘een god in menselijke gedaante’ en dat hij ‘God, de schepper’ was. Het is opmerkelijk dat de Quetzelcoatl-legenden uitsluitend zijn verschenen in het christelijke tijdperk.


Er zijn ook Peruviaanse legenden over een godheid genaamd Viracocha die ‘vertrok over de zee, maar die terug zou komen’. Viracocha wordt ook beschreven in Spaanse bronnen als een weldoener die reisde van plaats naar plaats, over bekering predikte en wonderen deed. Charles Boland voegt in zijn boek ‘They All Discovered America’ eraan toe ‘dat van de eerste Quetzelcoatl werd gezegd dat hij uit een maagd was geboren’.

Legenden over de Oude Wereld spreken van een menselijke godheid, een blanke (Semitische) weldoener die bekering predikte, wonderen deed, zowel God als mens was, geboren uit een maagd en afkomstig was van de Oude Wereld. Hij maakte een lange reis naar het oosten (over de Atlanti­sche oceaan naar de Oude Wereld), werd op een missie van zelfopoffering gedood, maar was opgestaan en naar de hemel opgevaren. Dat hij op een bepaalde tijd in de toekomst zou terugkeren verwijst onmiskenbaar naar de enige historische persoon; Jezus Christus.

Inderdaad, veel van de verhalen over een menselijke Quetzelcoatl lopen parallel met de christelijke leer over Jezus Christus. Zelfs zijn titel ‘Mor­genster’ is een van Jezus’ bijbelse titels (Openb.22:16). De vele christelij­ke motieven aan de vroege Quetzelcoatl verbonden, duiden er sterk op dat hij in zijn menselijke gedaante Jezus voorstelde die de Nieuwe Wereld bezocht tijdens de onbekende jaren van zijn leven. Deze legenden vertellen zelfs dat hij terugkeerde naar de Oude Wereld om zijn bestemming tege­moet te zien.

Legenden die Quetzelcoatl beschrijven als een slangengod zijn natuurlijk niet van toepassing op Jezus Christus. Het is satan die in de Bijbel wordt voorgesteld als een ‘slang’ (Gen.3:1-13; Op.12:9-15) en het is waarschijn­lijk dat de verering van Quetzelcoatl in de loop van de tijd is veranderd van een bijbels gegeven in een vorm van satanverering, inclusief de rituele mensenoffers. De legendarische figuur Viracocha kan gebaseerd zijn op Jezus Christus zelf of op een van de apostelen. Zij werden, volgens Mat­theüs, immers door Christus gezonden ‘naar alle volken’ (28:19).

 


We hebben al even aangestipt dat Israëlitische beschavingen werden ge­sticht in de Nieuwe Wereld door Hebreeuwse Phoeniciërs, Carthagers en Iberiërs. Deze Israëlieten speelden, door het overbrengen van kennis en gewoonten van de Oude naar de Nieuwe Wereld, hierin een grote rol. Bijvoorbeeld de Carthagers die de Nieuwe Wereld koloniseerden waren Israëlieten die de baälverering praktizeerden met mensenoffers als onderd­eel daarvan. Het is goed voor te stellen dat deze gruwelijke praktijken door de Carthagers daar werden geïntroduceerd. Komend uit Noord-Afrika waren zij eveneens bekend met de Egyptische piramiden en het is dus waarschijnlijk dat ook het voorkomen van piramiden in de oude Midden-Amerikaanse beschaving getuigt van een relatie tussen de twee wereldde­len.

 

Ook al sluit het niet direct de hele onbekende periode van Jezus’ leven in, deze verhalen ondersteunen de bewering dat Hij enige tijd in de Nieuwe Wereld moet zijn geweest. Aangetoond is in ieder geval dat de christelijke religie daar werd gevonden spoedig na zijn dood - hiermee ook het bewijs leverend dat de transatlantische route tijdens Jezus’ leven bekend was.

De wetenschap dat zich in de Nieuwe Wereld Israëlieten bevonden, ver­schafte Jezus een bijbelse basis om hen te bezoeken. Mattheüs 15:24 zegt dat Hij werd gezonden naar de verloren schapen van het Huis van Israël (de tien stammen). Mattheüs 15 bevat een overtuigend argument wat dit betreft. In de verzen 21-28 vraagt een heidense vrouw uit het gebied van Tyrus en Sidon Hem haar dochter te genezen (iets wat Jezus bereid was te doen voor zijn landgenoten). Jezus weigerde in eerste instantie te helpen, stellend dat Hij slechts was gezonden tot ‘de verloren schapen van het Huis Israëls’. Alleen door een herhaalde, deemoedige benadering wist deze vrouw Jezus te bewegen haar te helpen. Jezus’ tegenzin heidenen tegemoet te komen ‘in zijn eigen achtertuin’ pleit ervoor dat Hij geen tijd gespen­deerd zou hebben om de Atlantische Oceaan over te steken en de bewoners daar het evangelie te brengen, tenzij het Israëlieten waren!

 

Tot dusver hebben wij voldoende aangetoond dat er een aanzienlijk aantal Israëlieten in de Nieuwe Wereld was, al voor, gedurende en na Jezus’ leven. Iets van dit bewijs zullen wij nader onder de loep nemen om te laten zien dat transatlantische reizen mogelijk waren in het christelijk tijdperk, de 1e eeuw nC inbegrepen.

De Toltec-beschaving bloeide in Midden-Amerika van 900-1200 nC. De ‘Encyclopedia Americana’ zegt: “Hun hoofdstad was Tollan, nu Tula...de naam Toltec is afgeleid van de naam van hun hoofdstad...de belangrijkste figuur in de Tolteekse geschiedenis was...Topiltzin”.


Een van de takken van de Israëlitische stam Issaschar was genoemd naar Tola, een van de zonen (Num.26:23). Let op de overeenkomst tussen de Israëlitische naam Tola en de basiswoorden Tollan, Tula en Toltec, aanto­nend dat de stam van Issaschar was betrokken bij het ontstaan van de Toltec-beschaving. Een tussenliggende lokatie waar eveneens hun stam­naam is gevonden is Thule, op Groenland. Een analyse van de naam To­piltzin wijst op een Viking/Scandinavische oorsprong. De naam eindigt met de lettergreep ‘zin’. De letters ‘z’ en ‘s’ zijn fonetisch gelijkluidend. Als we de ‘z’ verwisselen voor een ‘s’ krijgen we Topilt-sin, of Topilt-son. Het achtervoegsel ‘son’ of ‘sen’ van een naam is heel gewoon in Scandina­vië. De consonanten ‘S-N’ of ‘Z-N’ aan het einde van de naam Topiltzin pleiten voor een Scandinavische oorsprong van deze man.

 

Een artikel door Laurence Athy jr., afgedrukt in de ‘Epigraphic Society Occasional Publications’, getiteld; ‘Buitenlandse invloeden op het priester­dom en de adel van het Pre-Colombiaanse Amerika’ beweert dat de Olmec- en Toltec-beschavingen werden geregeerd en bestuurd door bui­tenlanders die lang van gestalte waren en baarden droegen. Deze elite stond qua postuur in schril contrast met de gedrongen, platneuzige, Indi­aanse boeren waarover zij heersten. Zij vertoonden duidelijk de Semitische kenmerken van de Oude Wereld. Athy merkt op dat in de tijd dat de Tol­teekse beschaving in opkomst was deze ‘lange bebaarde elite’ al meer dan tweeduizend jaar in de Nieuwe Wereld aanwezig was. De Tolteekse heer­ser Topiltzin was ‘een eerbiedwaardige en ernstige persoon...een oude man met een rode al grijzende baard...die uit een vreemd land was gekomen’. Athy  zegt verder: “Topiltzin en zijn Tolteken waren vriendelijke mensen, die werden tegengestaan door een kwaadwillende leider van de inboor­lingen en ze werden zodanig lastig gevallen dat de Tolteken het land ver­lieten en terugkeerden naar hun land van oorsprong. Topiltzin riep het volk van Tula bijeen om hun te vertellen dat hij wegging vanwege de ver­volgingen en profeteerde de komst van ‘vreemdelingen...uit het oosten’ en het volk zou worden gestraft voor de slechte behandeling die zij de Tolte­ken had doen ondergaan’. Topiltzin vertelde hun ook dat zijzelf geen getui­ge zouden zijn van de komst van de vreemdelin­gen...maar de vierde of vijfde generatie”.


De Spanjaarden onder Cortez arriveerden ongeveer driehonderd jaar later en vervulden Topiltzins profetie omtrent de vernietiging van de Azteekse cultuur die de Tolteekse had opgevolgd. Athy voegt eraan toe: “Cortez kwam in het jaar 1 Reed van de Azteekse kalender...het jaar waarin Topilt­zin was geboren - het jaar waarin de terugkeer van zijn zonen was voor­zegd”.

 

In de Maya-ruïnes van Comalcalco werden inscripties gevonden, daterend van de 1e tot de 3e eeuw nC, die erop duidden dat het christendom bestond in de Nieuwe Wereld, een bepaalde tijd vast gegrond en wijd verspreid was, maar dat het op den duur degenereerde. Christelijke symbolen en praktijken, zoals de Spanjaarden die aantroffen, werden door de inheemse bevolking vermengd met zonaanbidding. Let op het volgende: “Tot grote verrassing van de vroege missionarissen waren veel van de RK-rituelen die aan de Maya’s werden geleerd hun al vertrouwd, zoals de doop in water, vormsel, vasten...Het kruis was een vertrouwd beeld...Toen de broe­ders uitlegden dat het kruis het teken was van God, die was gestorven aan de Boom van Goed en Kwaad en nu in de hemel woont, aanvaardden de Maya’s het als een andere versie van een geschiedenis die ze al kenden”.

Het kruis in het bijzonder was een welbekend symbool, speciaal onder de regerende klasse. Walter Stender schreef: “Toen de Spanjaarden Peru veroverden, waren ze verbijsterd dat ze kruisen aantroffen in de tempels en paleizen van de koninklijke Inca-familie..., want voor de Inca’s was het gebruik van het kruis als symbool een voortzetting van voorgaande culturen... het is duidelijk dat het kruis van religieus belang was”. Stender vervolgt: “De Maya’s gebruikten het...in een van hun uitgesneden beelden. Op verschillende plaatsen in Zuid-Amerika bestaan legenden dat blanke mannen kwamen om de inheemsen te leren meer op een sociale manier met elkaar te leven. Er is een duidelijke overeenkomst met de welbekende Midden-Amerikaanse traditie, dat blanke mannen kwamen die probeerden het culturele niveau van de inheemse bevolking te ontwikkelen...al deze blanken...hadden baarden. Een ander kenmerk is in het bijzonder opmer­kelijk; de kleding van deze blanke bezoekers was versierd met witte en zwarte kruisen...In de tijd van de Spaanse verovering was men zich in Zuid-Amerika zeer goed bewust van een vroege aanwezigheid van blanke inwoners”.

Stenders artikel laat zien dat het symbool van het kruis werd gevonden tenminste zo vroeg als 500 nC. Gecombineerd met de bewijsvoering dat christelijke inscripties werden aangetroffen in Comalcalco in de 1ste tot de 3de eeuw nC kan geconstateerd worden dat het christendom er feitelijk vanaf het begin van het christelijke tijdperk gepraktiseerd werd!


De ‘Epigraphic Society Occasional Publications’ heeft reproducties ge­maakt van een aantal brieven van drie verschillende pausen, gedateerd 1282, 1448 en 1492 nC, geschreven aan Noorse bisschoppen en een kerk in Groenland. De brief van paus Martinus IV aan een Noorse aartsbisschop van 1282 betrof de tienden van de Groenlandse kerken en de brief van paus Nicolaas V van 1448 erkende dat christenen in Groenland ‘bijna 600 jaar het geloof in Christus hadden onderhouden...’. Deze zeldzame pause­lijke brief plaatst christenen in Groenland in de 9e eeuw n.C.. Eeuwen voor de brief van paus Nicolaas V maakten de Vikingen al tochten naar de Nieuwe Wereld, en de IJslandse geschiedenisboeken vertellen dat een R.K. bisschop, genaamd Eric Gnuppson, reisde van IJsland naar de Nieuwe Wereld in het jaar 1121 nC.

 

Dit uitstapje besluit de bewijsvoering van een gevestigd christendom in de Nieuwe Wereld. Het was noodzakelijk vast te stellen dat christenen naar de Nieuwe Wereld reisden, niet alleen in de 1e eeuw n.C., maar vele malen voor de middeleeuwen en de komst van Columbus of Cortez. Ofschoon niet direct gerelateerd aan het leven van Jezus Christus, geeft het toch achtergrondinformatie bij de revolutionaire veronderstelling dat Jezus, gedurende de achttienjarige periode waar de Bijbel over zwijgt, ook de oceaan is overgestoken.


Er bestaat geen twijfel over dat de middelen om die reis te maken beston­den. Eerder was er al sprake van dat reusachtige Phoenicische en Cart­haagse schepen in het 1e millennium v.C. de Atlantische Oceaan door­kruisten, gevolgd door Romeinse schepen die de routes in later eeuwen leerden kennen. Er bestaan documenten dat de Romeinen zeeschepen hadden van 1200-1600 ton met een lengte van 60 mtr (180 ft) en een mast van 15 mtr (45 ft) en met een laadruim van ruim 14 mtr (44 ft) diep. Josep­hus schrijft dat hij voer op een Romeins passagierschip met 600 personen en Handelingen 27:9-36 vertelt dat Paulus voer op een Romeins schip, te zamen met 276 mensen in een gevaarlijk zeilseizoen. Ook zijn in de Nieu­we Wereld Romeinse kunstproducten  gevonden. Boland schrijft over Romeinse kunst gevonden aan de Amerikaanse oostkust. In ‘Saga Ameri­ca’ documenteert dr.Barry Fell Romeinse munten, kunstproducten en inscripties, ontdekt in de Amerikaanse staten Alabama, Tennessee, New Hampshire, Massachusetts, Connecticut, Georgia e.a. Dr.Fell schrijft over Joodse munten uit de 2e eeuw n.C. die zijn gevonden in Kentucky en constateert dat in het Missouri-Arkansas grensgebied de vaarroutes van Judea naar Noord-Amerika bekend waren in het vroegchristelijke tijdperk. Over een Hebreeuwse inscriptie schreef hij het volgende: “...de Bat-Creek steen van Tennessee werd door onderzoekers van het  Smithoni­an Institute verondersteld als afkomstig van Cherokee Indianen, maar door alle Hebreeuwse geleerden die het hebben bestudeerd, herkend als een Hebreeuwse tekst uit de 1e eeuw n.C. Dr.Robert Stieglitz uit New York leest het ‘Als een komeet voor de Hebreeën’, refererend aan de ko­meet van Halley die ‘boven Jeruzalem hing als een vlammend zwaard’ in het jaar 69 n.C. tijdens de eerste opstand... Dit getuigenis duidt erop dat Kentucky en Tennessee vluchthavens werden voor de vervolgde Hebreeë­n...”

Het bovenstaande beschrijft Joden uit Judea die in de 1e eeuw n.C. naar het oude Noord-Amerika reisden, enkele tientallen jaren na Jezus’ leven. Hieruit wordt ook de bekendheid met de transatlantische routes duidelijk.

Er is een tekst in de Bijbel die aangeeft dat Jezus lichamelijk gewend was aan de effecten van lange zeereizen. Marcus 4:35-41 beschrijft een gebeur­tenis waarin Jezus en zijn discipelen het meer van Galilea overstaken en door een storm werden overvallen. Vers 37 zegt: “En er stak een zware stormwind op en de golven sloegen in het schip, zodat het schip reeds vol liep. Maar Hij zelf lag op het achterschip tegen het kussen te slapen”. Nadat de discipelen Hem in paniek hadden wakker geschud, bang voor hun leven, bestrafte Jezus de wind en zei tegen de zee: “Zwijg, wees stil!” en er heerste een onmiddellijke rust.  Klaarblijkelijk had Hij liggen slapen op het benedendek. Hebreeën 4:15 vertelt ons dat Jezus zowel mens als Zoon van God was en dat Hij “in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest”. Als Jezus alle menselijke ervaringen met ons deelde, was ook zijn lichaam onderworpen aan zeeziekte. Dat Hij in staat was in een zware storm te slapen op een rollend en stampend schip, wijst erop dat zijn li­chaam daarvoor al gewend was geraakt aan de deining van de zee en het beuken van de golven. Zijn betrokkenheid bij de internationale handel van Jozef van Arimathea zal Hem genoeg tijd hebben gegeven om ‘zeebenen’ te ontwikkelen. De bijbeltekst geeft ons de indruk dat deze storm voor de vissers de zwaarste was die zij op het meer ooit hadden meegemaakt, maar Jezus zal op een open oceaan wel andere ervaringen hebben gehad met zware stormen, zodat het niet verwonderlijk was dat Hij in staat was rustig te slapen, zoals het bijbelverhaal vertelt.


Ook een andere bijbeltekst ondersteunt de gedachte dat Jezus buiten Pale­stina vertoefde in zijn ‘verborgen jaren’. In Johannes 10:16 heeft Jezus een discussie met de Joden waarin Hij zegt: “Nog andere schapen heb Ik die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder”

In Mattheüs 10:6 en 15:24 verwijst Jezus naar de ‘verloren schapen’ van het Huis van Israël (tien stammen). In Marcus 6:34 beschouwde Jezus de menigten die Hem volgden - de meesten van hen waren afkomstig uit Judea - als ‘schapen’ zonder herder. Schapen verblijven in stallen of schaaps­kooien; maar wat werd door Jezus bedoeld met zijn beeldspraak dat Hij schapen had in meer dan één stal? Jezus verwijst naar Judea als ‘deze stal’, maar vertelt de Joden dat het niet de enige stal is. Het is duide­lijk dat de ‘andere stal’ zich bevond waar de nakomelingen van de tien stammen van Israël leefden. “Andere schapen heb Ik” (in een andere stal); het gebruik van de tegenwoordige tijd wil zeggen dat het al een voldongen feit was. Hij had al schapen (volgelingen) in een andere stal dan die van Judea. Aangezien er geen gegevens zijn over Jezus’ verblijf in Judea tussen zijn twaalfde en dertigste jaar, is het heel goed mogelijk dat Hij gedurende die achttien jaren de nakomelingen van het tienstammig Israël heeft bezocht en hen het goede nieuws heeft gebracht.

De boeken van de vier apostelen zijn ooggetuigenverslagen van Jezus’ bediening voor het Huis van Juda, die drieëneenhalf jaar duurde. Niets van zijn bediening voor het Huis van Israël is voor ons in de Bijbel neer­gelegd, ofschoon de Bijbel laat doorschemeren dat dit gebeurde vóór Je­zus’ bediening in Judea. Het leven van Jezus, zoals het wordt voorgesteld in het Nieuwe Testament is als een boek waarin alleen de eerste en laatste hoofdstukken voorkomen en waar het middengedeelte, het grootste deel, uit is weggelaten!

De apostel Johannes schreef dat de evangeliën niet voorzien in een volle­dig verslag van het leven van Jezus Christus. Joh.21:25 zegt: “Er zijn echter nog vele andere dingen die Jezus gedaan heeft; indien deze een voor een beschreven werden, dan zou, naar ik meen, de wereld zelf de boeken, die geschreven werden, niet kunnen bevatten”.


Johannes’ verklaring dat het leven van Jezus buitengewoon actief en veel­bewogen is geweest is uiterst belangrijk omdat de Bijbel niets zegt over zijn leven tussen twaalf en dertig jaar. Het is logisch dat veel van Jezus’ niet beschreven activiteiten waar Johannes aan refereert niet in Judea hebben plaatsgevonden, anders zouden ze in de evangeliën te vinden zijn. Dit is verenigbaar met de legenden dat Jezus reisde naar andere delen van de wereld.

 

Er zijn redenen om aan te nemen dat de respons van de tien stammen van Israël op Jezus gunstig was. Daar enkelen van de Parthische overheid waren gekomen om Jezus hulde te brengen toen Hij nog een kind was, zullen zij Hem als jongeman waarschijnlijk geestdriftig hebben ontvangen in hun rijk in het Midden-Oosten. De positieve legenden over de eerste Quetzelcoatl die de bijbelse feiten over Jezus’ leven evenaren geven aan dat Hij een blijvende, gunstige indruk maakte in de Nieuwe Wereld. De druïden van de Britse Eilanden en noordwest-Europa verwachtten sinds lang een redder genaamd Yesu (Yeshuah) en de legenden van de vroege Britten vertellen over een warme ontvangst van Jozef van Arimathea en andere vroege christenen. Het is duidelijk waarom Jezus de Joden voor­hield dat Hij ‘schapen had in een andere stal’.

 

Het Nieuwe Testament vertelt dat Jezus geliefd was bij de gewone mensen van het Huis van Juda. Inderdaad, wie zou negatief kunnen reageren op iemand die op wonderlijke wijze zovelen tot steun was en hen bij ziekte genas? Het was de Joodse hiërarchie die negatief tegenover Jezus stond. De reden is eenvoudig. De tien stammen van Israël waren soevereine naties in de tijd dat Jezus hen bezocht. Zijn missie sloot niet een fysieke redding in van onderdrukkers, want die hadden zij niet, in tegenstelling tot de Galileeërs en Judeeërs, die graag bevrijd wilden worden van de Ro­meinse overheersing. Hun overheid had weinig interesse in een boodschap van geestelijke redding; zij verlangden een Messias die hun een fysieke redding zou brengen uit de klauwen van Rome!

Toen Jezus tegen de dertig liep, nam Hij afscheid van de internationale handelsmaatschappij van zijn oudoom en van zijn ‘schapen van de andere stal’ en keerde terug naar zijn geboorteland Judea. De gelukkige en vol­doening gevende jaren van internationale verantwoordelijkheid en warme ontmoetingen met diverse, veraf wonende mensen waren voorbij. De moeilijke jaren van zijn aardse opdracht lagen voor Hem en Hij wist het.


Het Nieuwe Testament leert dat als Jezus Christus had gefaald in zijn missie, God de Vader, de Eeuwige van het Oude Testament, niet zou heb­ben toegestaan dat ook maar een enkel mens het eeuwige leven zou beë­rven, want de mensheid zou geen verzoenend offer hebben. Als Jezus faalde zou de gehele mensheid met Hem sterven. Deze jonge man van Juda, met het koninklijke bloed van David in zijn aderen, en vervuld met de Heilige Geest van zijn Vader, de Almachtige God, moet een geweldige last op zijn schouders hebben gedragen  toen Hij zijn laatste reis naar huis maakte. Hij moet het gevoel hebben gehad dat Hij ‘de wereld moest tor­sen’ toen Hij terugkeerde naar Judea.