Maar de meeste van deze is de LIEFDE

 

“Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.” (1 Corinthiërs 13:13)

 Het dertiende hoofdstuk van Paulus’ eerste brief aan de Corinthiërs is een van de bekendste hoofdstukken uit de Bijbel en tevens een hoofdstuk waar de meeste christenen moeite mee hebben. Zou­den we ons houden aan dit hoofdstuk, dan waren er veel minder denkrichtingen onder de gelovigen en veel minder verschillende kerken.

Om het eens heel simpel te zeggen: Als we vinden dat een ander het niet met ons eens is, is de ander fout en als hij of zij dat niet wil veranderen, breken we met die ander en gaan we voor onszelf beginnen. Het gevolg is dat er thans naast de honderden verschillende groeperingen, ook vele gelovigen zijn, die zich nergens meer willen aansluiten. Ze zijn uitgestoten door het niet eens zijn met bepaalde opvattingen in de kerk of beweging waarbij ze zich eerst hadden aangesloten of waarin ze zijn opgegroeid. Ze stelden vragen naar het hoe en waarom van zekere opvattingen en rituelen, die ze niet in de Bijbel konden terugvinden. Dat werd niet op prijs gesteld. Hun vragen werden niet onderzocht en besproken. Teleurgesteld gingen ze weg of ze werden uitgestoten.

“De liefde is lankmoedig, de liefde is goedertieren, zij is niet afgunstig, de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwade niet toe. Zij is niet blijde over ongerechtigheid, maar zij is blijde met de waar­heid.” (1 Corinthiërs 13:4-6).

We hebben die liefde ervaren in gemeenten waarvan van harte heb­ben samengewerkt ondanks verschillen van mening. We hebben ook de liefde gemist in kerken en gemeenten waar we evenveel hebben meegewerkt, maar om verschil van opvatting onder censuur werden gezet en ten slotte moesten weggaan. De liefdeloosheid kan aan de kerk, gemeente of organisatie liggen, maar ook aan de ‘vragensteller’, die ten slotte breekt. Verbittering is zo gemakkelijk een gevolg van onenigheid. Gods Woord is zo rijk en als we iets nieuws in de Bijbel (her)ontdekken, willen we dat graag met een ander delen. Het is niet direct zeker of we gelijk hebben, maar laten we samen onderzoeken, dikwijls zijn er meerdere mogelijkheden van verklaring. Alleen al in het scheppingsverhaal in Genesis zitten verschillende mogelijkheden. Het tweede vers “de aarde nu was woest en ledig” kan net zo goed vertaald worden als “de aarde nu werd woest en ledig”, waardoor en een geheel ander beeld in zicht komt. Moeten we elkaar nu verketteren om onze opvatting over dit eerste begin? Zo zijn er over de eerste hoofdstukken van de Bijbel nog verschillende vertalingen en dus inzichten mogelijk. Houden we vast aan wat ons altijd geleerd is of staan we open voor verdere openbaring en nieuwere inzichten, die niet in strijd zijn met de grondtekst van de Bijbel?

Als we denken dat iemand niet de juiste verklaring geeft, moeten we dan met zo iemand breken, als hij of zij ook gelooft in de inspiratie van de Bijbel. Is het wel helemaal zeker dat wij zelf de goede verklaring geven. Zit er misschien toch wel waarheid in de mening van de ander, een medegelovige?

In onze dagen van afval van het geloof, ontmoeten we mensen, die worstelen met vragen over het geloof en zelf de Bijbel lezen en bestuderen. Wat staat er nu precies in deze of die tekst. Als we gelovig zoeken, zullen we vinden, maar niet iedereen vindt hetzelfde. “Geworteld en gegrond in de liefde, zult gij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods.” (Efeziërs 3:17-19).

We hebben elkaar dus hard nodig. Daarbij niet denkend dat onze verklaring van een probleem de enige oplossing is.


Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen;” (Mattheüs 11:29).

In deze houding van onze Heer kunnen we elkaar opbouwen in de liefde.

G. van der Laan

 

 

 

 

 

 

De Gelijkenissen van het Koninkrijk

VII

DE ZAAIER

 

In de gelijkenissen van het Oude Testament is één van de zich steeds herhalende thema’s die van verzoening tussen God en Israël met de belofte van een toekomstig herstel als volk van God. In de gelijkenissen van het Nieuwe Testament bereikt het thema zijn apotheose, want het middel van die verzoening is realiteit geworden in de persoon van onze Heer, Jezus Christus, wiens offer Israël bevrijdt van de verplichtingen van het oude Verbond, zoals aangekondigd in de gelijkenis van Hosea. Door het offer van Jezus is het koninkrijk verlost, dat wil zeggen, de verlossingsprijs voor het verbreken van het Oude Verbond, dat de dood tot gevolg zou hebben, is betaald. De apostel Paulus verwijst naar de nood­zaak voor deze ultieme straf als hij verklaart dat “het loon, dat de zonde geeft, is de dood...” (Rom.6:23). Verlossing dus maakt de weg vrij voor het herstel van het koninkrijk. Het maakt ook de weg vrij voor het herstel van de schepping vanuit zijn vervallen staat, waarvan verslag is gedaan in het derde hoofdstuk van Genesis.

In de voortgang echter naar die uiteindelijke staat van alles omvattende harmonie met God, moet eerst zijn koninkrijk worden hersteld tot een onberispelijke staat, zodat het een geloofwaardige getuige kan zijn van de almacht en alomtegenwoordigheid van God, onze Schepper. Het resterende deel van de mensheid zal dan de gelegenheid krijgen burgers te worden van het koninkrijk als zij Jezus Christus aannemen als hun Red­der, Heer en Koning.


Maar dat ligt nog in de toekomst verscholen, want het koninkrijk heeft zich nog niet bekeerd van zijn boze wegen en is nog niet naar God teruggekeerd. Tijdens de eerste komst van onze Heer was het volk van Israël in feite nog in alle rich­tingen verstrooid. Jakobus onderkent dat als hij zijn brief schrijft aan “de twaalf stammen in de verstrooiing”. Daarom moeten zij het nieuws van hun verlossing te horen krijgen en dat is de opdracht van Jezus aan de apostelen: “...begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls” (Matt.10:6). De joden in die dagen waren slechts een klein overblijfsel van het volk Israël, hoofdzakelijk afstammelingen van de stammen Juda en Benjamin. Judea was een provincie van het Romeinse rijk en stond onder jurisdictie van een Romeinse procurator. Door hun verkeerde interpretatie van de Schriften verwachtten de joden de komst van iemand die hun koning zou zijn en hun onafhankelijkheid zou herstellen. Toen Jezus kwam in de rol van lijdende Messias wilden zij hem niet aanvaarden. Tijdens zijn proces voor Pilatus werd het voorstel om Hem vrij te laten door het volk, dat zijn eigen voorkeur voor Barabbas bekendmaakte, afgewezen. In Galilea echter waren mensen die ontvankelijk waren voor het onderwijs van Jezus en uit hen koos Hij zijn discipelen. De Galileeërs waren nakomelingen van de stam van Benjamin die, na de deling van het koninkrijk na Salomo’s regering, op Gods bevel bij het Huis van Juda moesten blijven (I Kon.11). Een deel van de natie die trouw was gebleven aan de dynastie van koning David, vertegenwoordigde nog altijd het Huis van Juda tot de eerste komst van Jezus. Zijn gesprekken met de joden hadden ook de gelijkenissen als onderwerp, woord­beelden die toekomstige situaties van het leven in het koninkrijk illustreren. De discipelen vroegen hem waarom Hij de mensen verhalen vertelde zonder de werkelijke betekenis te onthullen. Zijn antwoord was: “Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven” (Matt.13:11).

De vijandige houding van de joden ten opzichte van de leringen van Jezus en hún interpretatie van de profetieën betreffende de komst van de Messias zou een barrière zijn voor hun inzicht in de boodschap van de gelijkenissen. Aan zijn discipelen legde Hij de betekenis achter de illustraties uit, maar de massa die zijn woorden hoorde, liet Hij in het duister. Hij licht verder de reden toe waarom Hij hen de werkelijke betekenis van de gelijkenissen onthoudt, als hij zegt: “Daar­om spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen” (Matt.13:13). Zij zagen Jezus als een mens, zij wilden Hem niet zien als de Zoon van God. Zij hoorden zijn onderwijs, maar dat was tegenge-steld aan hun eigen geloof en tradities, zodat zij zijn bedoeling niet begrepen. In deze NT-gelijkenissen klinkt ook een steeds weerkerend thema door, want ook zij zijn profetisch in hun betekenis. De apostelen wisten dat de dood en opstanding van Jezus verzoening zou bewerkstelligen en ook het herstel van het koninkrijk, zoals de vraag laat zien die zij stelden aan de verrezen Heer: “Gaat u in deze tijd het koninkrijk voor Israël weder oprichten?” Herstel van het koninkrijk aan Israël was dikwijls vervat in de boodschap van de profeten, hoe zwaar ook de veroordeling voor de misdaden van het volk, die aan de belofte voorafging. Zo ook zien we herstel als overheersend thema in de NT-gelijkenissen, want zij geven inzicht in de ontwikkelingen van het koninkrijk in de laatste dagen tot het eind der tijden. De eerste is te lezen in Mattheüs 13. De schrijver schetst het tafereel van een bijzondere gebeurtenis, waarin een grote menigte samenkomt om Jezus te ontmoeten, die hen aanspreekt als zij een plaatsje zoeken op het strand. Hij gaat aan boord van een schip omdat in die gunstige positie hij gemakkelijker kan worden gehoord. Hij begint met het verhaal van de zaaier, aan alle christenen wel bekend. Het zaad valt op verschillende grondsoorten met verschillend resultaat, zoals de eerste negen verzen aangeven. De uitleg volgt, niet aan de menigte, maar alleen aan de discipelen. In het algemeen neemt men aan dat deze gelijkenis een beschrijving is van de verschillende graden van ontvankelijkheid van mensen voor het evangelie door de eeuwen heen. Velen horen het maar staan er afwijzend tegenover; bij anderen varieert de ontvankelijkheid van een lauwe tot algehele aanvaarding van de Heer. In geestelijke termen; de oogst varieert in kwantiteit en kwaliteit. Deze interpretatie is klaarblijkelijk beproefd, zoals we kunnen opmaken uit de geschiedenis van ons nationale geloof en wat het kerkelijk leven heeft betekend tot nu toe. Maar de boodschap van de gelijkenis blijft niet beperkt tot het geestelijk aspect alleen. Wat is het zaad? In Jezus’ woorden in vers 19 is dat ‘het woord van het koninkrijk’. Het is Gods woord betreffende het koninkrijk: het is het evangelie of goede nieuws van het koninkrijk. De joden van zijn dagen beschouwden zichzelf als de kern van het koninkrijk, want zij woonden nog in het beloofde land en onderhielden streng de oude Mozaïsche wetten, waardoor hun identiteit behouden bleef. Toch, omdat zij de Messias afwezen, profeteerde Jezus hun het komende oordeel in deze bewoordingen: “Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan op­brengt”(Matt.21:43). Dat ‘volk’ (Gr.ethnos) waaraan onze Heer refereerde kon alleen Israël zijn op de ’bestelde plaats’, dat de ‘vruchten’ had voortgebracht die het product waren van de wereldwijde evangelieboodschap. Wij hebben weinig of geen idee hoe de koninkrijksboodschap werd ontvangen door onze voorouders in de eerste eeuw. Misschien, zoals het ook nu nog gaat, ontdekte Paulus al, toen hij de verstrooide stammen opzocht die in het westen van Europa woonden, dat de kennis van hun Israëlidentiteit grotendeels verloren was gegaan. Klaarblijkelijk wist hij dat dit het geval zou zijn, want hij zegt in zijn brief aan de Romeinen: “...een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen” (11:25). De uitkomst van die verklaring is juist gebleken, want door de eeuwen heen, laat historisch bewijs zien dat er altijd groepen en individuen zijn geweest die hebben geweten van de voorouderlijke bijbelse wortels van de natie. Aan het begin van de vorige eeuw werd het onderwijs over de identiteit van het koninkrijk in het algemeen goed ontvangen en geaccepteerd, zowel in Brittannië als in de kustlanden. Maar zoals dat met het geestelijk aspect van het christelijk geloof het geval is, heeft ook het geloof in het koninkrijk van God op aarde steeds minder aanhangers. Het evangelie van het koninkrijk wordt dikwijls met gemengde gevoelens ontvangen, of zelfs totaal afgewezen.


In de profetieën die verwijzen naar het einde van deze eeuw is de geloofsafval een van de tekenen die voorafgaan aan de komst van de Heer. In zijn tweede brief aan de Thessalonicenzen verwijst ook Paulus hiernaar en hij gebruikt het Griekse woord apostasia. De lauwheid van de geloofsgetuigenis vandaag de dag is overduidelijk, terwijl de afval, die gepaard gaat met de groei van het materialisme, morele en geestelijke achteruitgang in het koninkrijk tot gevolg heeft.

 

Consequenties van het verschil in ontvangst

De zo verschillende resultaten die de zaaier in de gelijkenis ervaart, hebben consequenties die uit deze resultaten voortvloeien. Dat wordt duidelijk uit het allegorische beeld van de drie volgende gelijkenissen in Mattheüs 13. Als ze in hun geheel worden bestudeerd, wordt duidelijk dat ze complementair zijn, wat niet zo opvalt als ze apart worden gelezen. Met dit in ons achterhoofd komen we bij de volgende gelijkenis van de serie, die van de tarwe en het onkruid. Opnieuw is het onderwerp het zaaien van bepaalde zaden, maar deze keer vertegenwoordigt het zaad het koninkrijk zelf. In Jezus’ eigen interpretatie van de gelijkenis die Hij aan de discipelen geeft (v.36-43), vergelijkt Hij het goede zaad met de kinderen van Israël, die toentertijd waren verstrooid over de wereld die ‘de akker’ genoemd wordt in de analogie. Het onkruid, zegt Hij, zijn de kinderen van de boze.

Het is misschien goed te weten dat het hier bedoelde onkruid een plant is die sterk lijkt op die van de tarwe. Ze zijn niet van elkaar te onderscheiden totdat de graankorrel begint te rijpen. Dan pas gaat de aar van het onkruid zich onderscheiden, want hij is langer dan de goudgekleurde tarweaar en eenmaal volgroeid wordt hij zwart.

Satan is de bewerker van verwarring en door de eeuwen heen hebben zijn discipelen zich grote moeite getroost het koninkrijk van binnenuit te ondermijnen. Ze zijn hierin behoorlijk succesvol geweest, zowel in het geestelijke als politieke leven van de natie. Zozeer zelfs dat het christelijke geloof meer is verdeeld en zijn leerstellingen meer vervalst dan ooit tevoren. Onze wetten en rechtskundige kaders zijn steeds verder afgeweken van het Goddelijk wetboek, zoals vastgelegd in de Schrift. Met zulk afwijkend leiderschap door kerk en staat gebeurt er veel in onze gedachten en daden wat krenkend is voor de Almachtige. In de gelijkenis wordt ons verteld dat in de tijd van de oogst de tarwe en het onkruid zullen worden gescheiden, want ze zullen dan goed uit elkaar te houden zijn. Het onkruid vertegenwoordigt alles wat krenkend is voor God en zijn engelen zullen uitgezonden worden om het te scheiden van de tarwe en het te vernietigen. Dit moet een waarschuwing zijn voor allen in het koninkrijk wier daden kwaad zijn en tegen de wetten van God en een troost voor allen die vasthouden aan het geloof en hun vertrouwen stellen in hun Verlosser en Heer. De oogst zal dus een tijd worden van zuivering. De boodschap van deze gelijkenis is een beschrijving van de uitzichtloze toestand die duidelijk zal worden in het koninkrijk van de laatste dagen en de oplossing van de zaaier is het onvermijdelijke gevolg ervan.

De complementaire aard van deze gelijkenissen wordt steeds duidelijker. Het gezaaide zaad is het nieuws van het verloste koninkrijk dat naar onze streken werd gebracht; de boodschap kreeg zijn grootste bekendheid in de tijd van de Reformatie; de later verkondigde identiteit van het koninkrijk werd kennelijk niet overal aangenomen. De betekenis en het belang van deze waarheden over het koninkrijk zijn dan ook nooit volledig onderkend. Het resultaat hiervan is dat de door de mens gemaakte wetten het individuele en nationale leven hebben beheerst, met als gevolg alle moeilijkheden waar wij ons in deze laatste dagen in bevinden. De geboden van God waar onze wetten op zijn gebaseerd zijn grotendeels opzij geschoven door de huidige wetgeving. Eveneens is de geestelijke wedergeboorte die tot stand kwam door de Reformatie grotendeels verdwenen door modernistische theologie. Het verlaten van onze door God gegeven principes is een geleidelijk voortschrijdend eroderend proces geweest, dat alle aspecten van ons leven heeft aangetast. Daardoor is er ruimte gekomen voor bevordering van een multi-raciale maatschappij, met zijn vreemde culturen en religies, die vijandig staat tegenover de God van Israël.


Onze nationale eigenschap van fair play en tolerantie is zo goed als ver-dwenen door de geleidelijke afbraak van onze christelijke levenswijze. Door het verkeerde soort leiderschap en onderwijs wat in alle lagen van de bevolking zijn uitwerking heeft, groeit het onkruid onopgemerkt, behalve door de enkeling. Deze situatie brengt ons bij de gelijkenis van het mosterdzaad, waarin naar deze situatie wordt verwezen. Dit zaad is niet hetzelfde als het bekende kruid dat men toevoegt aan een maaltijd. De Schrift verwijst naar een zaad dat zal uitgroeien tot een grote boom met vele takken waarin vogels kunnen nestelen. De gelijkenis is meesterlijk in zijn beschrijving van het koninkrijk dat groeide uit dat ene zaad, Abraham. Uit dat zaad is de volwassen boom gegroeid die het huidige koninkrijk voorstelt. De huisvesting van de vogels in de takken is vervuld. In eerste instantie ondervonden mensen uit vele delen van de wereld de voordelen van onze christelijke principes en parlementaire bestuursvorm. Velen van hen hebben wetenschappelijk onderwijs genoten aan onze universiteiten en hogescholen en zijn naar hun land teruggekeerd met de opgedane kennis en deskundigheid.

In de laatste jaren echter hebben talloze vreemdelingen een onderkomen gevonden in het koninkrijk, en maakten het tot hun thuis. Zij brachten hun eigen cultuur en religie mee, waar zij zich aan vasthielden. Dit werd toegestaan, zelfs aangemoedigd door onze autoriteiten. Verbieden van deze praktijken zou immers ontkenning betekenen van hun recht op vrijheid van denken en handelen. Zo groot is de afval van het huidige religieuze denken, dat het geloof eens aan de heiligen gebracht is weggespoeld in een zee van vage, onduidelijke goeddoenerij. De gedachte dat onze regering de verplichting heeft ons christelijk erfgoed te beschermen, schijnt losgelaten te zijn en de suggestie dat de vreemdelingen, die zich in ons midden willen vestigen, verplichtingen hebben met betrekking tot de wetten en religie van het koninkrijk, wordt niet eens in overweging genomen. Het koninkrijk was bedoeld een voorbeeld te zijn voor de rest van de mensheid, een invloed ten goede en hoop in een wereld geteisterd door de kwaal van zonde en dood, die het domein van de mens in de tuin van Eden was binnengedrongen. Maar wat voor invloed heeft het koninkrijk in zijn huidige staat op de wereld? Zijn andere naties onder de indruk door wat zij zien gebeuren? Kunnen zij er baat bij hebben door ons voorbeeld te volgen?

De volgende gelijkenis, de vierde en laatste van de groep die Jezus de menigte voorhield, geeft antwoord op deze vragen. Hierin vergelijkt onze Heer het koninkrijk met een zuurdesem, dat door een vrouw in drie maten meel werd verborgen, totdat het geheel doorzuurd was. De woorden van deze gelijkenis leiden onze gedachten naar een belangrijke plaats in de Schrift, Genesis 18, waar God met twee metgezellen aan Abraham verschijnt en hem de geboorte van een zoon bij zijn vrouw Sara aanzegt. Abraham herkende waarschijnlijk de aanwezigheid van God, want hij sprak Hem aan als ‘Mijn Heer’. Hij biedt de drie onderdak aan en vraagt Sara ...drie maten fijn meel... te halen en er koeken van te bakken. De woorden van de gelijkenis zijn niet zomaar uit de lucht gegrepen, maar duiden het koninkrijk aan in die duidelijke verwijzing naar de oprichting in wat zou zijn de wonderbaarlijke geboorte van Isaac bij ouders die de vruchtbare leeftijd allang achter zich hadden. De verklaring dat het zuurdesem was ‘verborgen’ is niet zonder betekenis, want het koninkrijk is in het algemeen voor de wereld verborgen, geheel in overeenstemming met de bedoelingen van God. Zoals bekend is gist een stof noodzakelijk om deeg zo te transformeren, dat er een brood van gebakken kan worden. Deze eigenschap maakt het heel geschikt om in verschillende bijbelse vergelijkingen te worden gebruikt. Bijbelexegeten zijn het erover eens dat gist ook wordt geassocieerd met kwade zaken. Paulus, in zijn eerste brief aan de Corinthiërs (hfst.5) kapittelt hen in verband met de morele verdorvenheid die hij bij hen had aangetroffen en vergelijkt het met zuurdeeg, want als het niet werd gecorrigeerd en de schuldige gestraft, zou het kwaad zich verspreiden.

In Mattheüs 16 geeft Jezus zijn discipelen een waarschuwing: “Ziet toe en wacht u voor de zuurdesem der Farizeeën en Sadduceeën”. De discipelen dachten dat Jezus verwees naar het brood dat zij vergeten hadden mee te nemen en toen Hij ontdekte dat zij Hem verkeerd begrepen, legde Hij hun zijn bedoeling uit. “Toen zagen zij in, dat hij hun niet gezegd had zich te wachten voor het zuurdesem der broden, maar voor de leer der Farizeeën en Sadduceeën”. Deze valse leer werd door Jezus veroordeeld, want als zuurdesem verspreidde het zich onder de mensen. Als we nu naar het koninkrijk van vandaag kijken in zijn staat van afval en onge-rechtigheid, dan mag het duidelijk zijn dat de invloed op de rest van de wereld navenant is. Er zal geen verbetering optreden totdat het is gereinigd van al die dingen die God krenken en als het komt onder de rechtvaardige regering van zijn zoon, Jezus Christus.

 

Goddelijke tegenmaatregelen


De volgende drie gelijkenissen die we aantreffen lijken nogal verschillend van onderwerp, maar als we goed lezen komen we tot de ontdekking dat ze sterke verwantschap hebben met de voorafgaande drie. De eerste in vers 44 is de gelijkenis van “een schat, verborgen in een akker, die een mens ontdekte en verborg (covered it over-FF) en in zijn blijdschap erover gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker”. Weer betekent de akker hier de wereld. De schat is het koninkrijk, een beschrijving gebruikt voor Israël in het boek Exodus 19 als God zegt: “...dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij” (Ye shall be a peculiar treasure unto Me-JV). De harmonie van de Schrift is hier weer zichtbaar in Gods stelselmatig gebruik van woorden of zinnen die de verschillende delen verbinden. Het is alsof de Schriften hun eigen ingebouwde verwijzingssysteem hebben, waardoor de waarheid bevestigd wordt. Toen onze Heer werd geboren kwam Hij in de wereld, de akker. Wetend dat de schat in deze akker verborgen was, kocht Hij hem en betaalde er de hoogste prijs voor, zijn eigen leven! Het korte verhaal in de gelijkenis was van groot profetisch belang op dat moment. Het hele doel van Jezus’ missie werd in deze enkele woorden verklaard. Zijn dood betekende dat de zonden van Israël zouden worden verborgen of bedekt door zijn op Golgotha vergoten bloed en het betekende ook dat de vloek van zonde en dood van de gehele mensheid zou worden weggedaan. Daarom verwees deze gelijkenis indertijd naar een mijlpaal of keerpunt in de geschiedenis van het koninkrijk en van de mensheid in het algemeen. Hij verwees naar de komende vervulling van de belofte aan Abraham, dat door zijn zaad alle families op de aarde gezegend zouden zijn. Een andere mijlpaal in de geschiedenis van het koninkrijk wordt aangegeven in de volgende gelijkenis. Jezus zegt: “...het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koopman, die schone parelen zocht. Toen hij een kostbare parel gevonden had, ging hij heen en verkocht al wat hij had, en kocht die”. Het koninkrijk wordt vergeleken met een koopman, dus het koninkrijk is niet de parel van grote waarde, noch is onze Heer die parel want Hij kan niet gekocht worden; Hij gaf zichzelf vrijwillig voor het koninkrijk en voor de ganse schepping.

 

Verder zoekend naar belangrijke gebeurtenissen in de geschiedenis van het koninkrijk moeten we vooruit kijken in de tijd na het leven van Jezus. De Britse eilanden en de kustlanden werden bevolkt door nakomelingen van de verstrooide stammen, maar we weten inmiddels dat het nog een duizend jaar duurde voordat de laatste groepen arriveerden en zich hier vestigden. Ofschoon dit de voltooiing markeert van de hervestiging van het verstrooide volk Israël op ‘de bestelde plaats’, het was niet een nieuwe of bijzondere ontwikkeling. Wat later wel nieuw en bijzonder was in de geschiedenis van het koninkrijk was de Reformatie. Voorafgaand moest ons volk nog door een periode heen die bekend staat als de ‘donkere Middeleeuwen’, toen het geestelijk leven van de mensen nog onder controle stond van de kerk van Rome. Het in druk uitbrengen van het Woord van God in de taal van het gewone volk en de verkondiging van het hervormde geloof was een gebeurtenis die nieuw licht verspreidde in een duister land. Zonder twijfel was dit de parel van grote waarde, het Woord van God. Niet alleen in financiële termen, ofschoon het toen net als nu voor geld gekocht kon worden, maar zoals de gelijkenis zegt, de hoogste prijs die soms moest worden betaald was het leven zelf. Zo groot was de waarde die mannen en vrouwen hechtten aan de Schriften in die vroege dagen van de protestante kerk, want de macht van Rome was toen nog niet gebroken en het martelaarschap was geen zeldzame gebeurtenis. De christelijke principes waarop ons nationale leven is gebaseerd, zijn principes waar wij in het verleden voor hebben gevochten, als zij door vreemde machten werden bedreigd. Zo hebben wij blijk gegeven dat wij steeds waarde hechtten aan deze parel en terecht. Maar hoe is het in deze dagen gesteld? Klaarblijkelijk is dat krachtige geloof veranderd, zoals de derde gelijkenis van deze groep aangeeft: “Evenzo is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een sleepnet, neergelaten in de zee, dat allerlei bijeenbrengt. Wanneer het vol is, haalt men het op de oever, en zet zich neer en verzamelt het goede in vaten, doch het ondeugdelijke werpt men weg. Zo zal het gaan bij de voleinding der wereld. De engelen zullen uitgaan om de bozen uit het midden der rechtvaardigen af te zonderen...”.

Met de ‘zee’ uit de gelijkenis, die analoog is aan de volken van de wereld, schildert het verhaal een duidelijk en nauwkeurig beeld van het koninkrijk. In het bijzonder in de laatste tientallen jaren is er een geleidelijke instroom geweest van vreemde nationaliteiten, die hun verschillende religies en culturen met zich meebrachten en bijdroegen aan de groeiende toestand van on-gerechtigheid. In deze analyse zal de duidelijke parallel met de gelijkenis van het mosterdzaad, dat tot een boom uitgroeit waar vogels van verschillende pluimage nestelen, herkenbaar zijn. Als het net vol is, zal er een grote schifting plaatsvinden. Dit, zegt Jezus, is de tijd van het einde, als de engelen komen om de bozen uit het midden van de rechtvaardigen af te zonderen. Ook hier is weer een overeenkomstige situatie met de gelijkenis van de tarwe en het onkruid, waar het ook de engelen zijn die worden uitgezonden om bij de oogst de slechte halmen van de goede te scheiden.


De toenemende morele en geestelijke degeneratie van het koninkrijk in de huidige tijd verwijst naar het volgroeien van het onkruid en de volheid van het net. We wachten dus nu met spanning het selectieproces af. Dit is niet iets wat wij zelf kunnen doen, want dat gaat menselijke bevoegdheid te boven. Alleen Goddelijke macht kan zo’n taak, waarin werkelijk recht moet en zal worden gedaan, volbrengen. Dit moet nog plaatsvinden en het zal de laatste mijlpaal zijn die het einde en tevens het begin markeert van een nieuw tijdperk van het leven in het koninkrijk. Niet langer onder menselijk bestuur, beïnvloed door Satan, maar onder het bestuur van Jezus Christus, beïnvloed door God en wij hopen en bidden dat dat gauw zal gebeuren.

 

Met deze gelijkenis komen wij aan het einde van de bijzondere boodschap van onze Heer, niettegenstaande de ongebruikelijke vorm waarin hij is gegoten. In zijn geheel genomen kan hij als volgt samengevat worden: In de eerste gelijkenis is God de zaaier die zijn nieuws betreffende zijn koninkrijk bekendmaakt en verspreidt, maar dit nieuws wordt in het algemeen niet goed ontvangen door de mensen. Het verschil in respons brengt daarom onvermijdelijk consequenties met zich mee, die zijn beschreven in de volgende drie gelijkenissen. Deze leggen de nadruk op het menselijk element van het koninkrijk, gezien het effect dat ze hebben op haar toekomstige ontwikkeling. Dit wordt gevolgd door nog eens drie gelijkenissen waarvan de nadruk ligt op het Goddelijk element, dat Gods verdere plannen uitbeeldt om de effecten van de verschillende reacties van de mensen op passende wijze te beantwoorden. Ten eerste is daar de bedekking van het koninkrijk onder het op Golgotha gestorte bloed van de verlossing, dan de infusie van nieuw geestelijk leven in het koninkrijk door de Reformatie, genoeg om het te ondersteunen tot de tijd van de oogst, de tijd van reiniging en de terugkeer van onze Heer in macht en glorie.

Als de gelijkenissen zo als één geheel worden beschouwd, komt er een bepaalde ontwikkeling in beeld, die niet duidelijk zou worden als de gelijkenissen onafhankelijk van elkaar worden gelezen. Aan het eind van zijn lering vraagt Jezus aan de discipelen: “Hebt gij dit alles verstaan?” De enige geschriften die zij in die tijd tot hun beschikking hadden, waren die van het Oude Testament. Ze bevatten niet alleen de geschiedenis van het volk Israël, maar de profetische gedeelten betroffen hun toekomstige bestemming en die werden toen beter door de discipelen begrepen dan door onze zeer geleerde theologen van vandaag. Hun erkenning van Jezus als de Zoon van God en de rol die Hij daarin zou spelen, in overeenstemming met de profetie, was hun bekend en werd begrepen. Zij zouden ook deze gelijkenissen zien als delen van de gehele boodschap. Daarom konden zij naar waarheid de vraag van Jezus bevestigend beantwoorden.

 

Het Nieuwe en het Oude van gelijk gewicht

Dan vertelt Hij hun nog een korte gelijkenis, de laatste van de serie, die klinkt als de afsluitende opmerkingen aan het eind van een verhaal: “Daarom is iedere schriftgeleerde, die een discipel geworden is van het Koninkrijk der hemelen, gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen te voorschijn brengt”. Hier zien wij opnieuw de verbinding tussen koninkrijk en schat. De schat van een heer des huizes zou zijn meest waardevolle bezit zijn, wat beslist het Woord van God was met betrekking tot het koninkrijk. Dat wat nieuw was in het koninkrijk in die dagen was zonder twijfel het Nieuwe Verbond van genade door geloof, bewerkstelligd door het offer van Jezus Christus; het Nieuwe Verbond waarover de profeet Jeremia al had gesproken (hfst.31). Redding door geloof in de verrezen Heer en de belofte van eeuwig leven voor hen die dat aannemen, was nieuw. Dat wat oud was en toch van oneindige waarde en deel van de schat, zijn de duurzame verbonden en al de beloften aan de aartsvaders gedaan.

De schriftgeleerde die inzicht heeft gekregen in het koninkrijk der hemelen, houdt niet alleen rekening met de dingen die nieuw zijn, of alleen met de dingen die oud zijn; ze hebben een onderlinge samenhang en kunnen niet rechtens van elkaar worden gescheiden. Ze maken deel uit van die grote schat, het complete evangelie van het koninkrijk.

 

                                                                           

 


Een Studie in Geschiedenis en Aardrijkskunde

gedeeltelijk met een lichte toets

 

Zo ongeveer 30 jaar geleden maakte ik kennis met de theorie van Albert Delahaye, archivaris van verschillende Brabantse gemeenten en daar vóór wetenschappelijk ambtenaar in Nijmegen. Bij zijn werk dáár stiet hij op zaken, waarvan hij dacht: dat klopt niet!

De grote lijn van zijn theorie is dan het vrijwel bevolkingsleeg zijn van grofweg de helft van ons land gedurende zo’n zes eeuwen in het eerste millennium. In het betrokken gebied was niet veel anders dan zompig land, gedeeltelijk bij eb droogvallende gronden, kreken, poelen en moeras. Dijken moesten nog uitgevonden worden. De Romeinen zijn aantoonbaar in dit gebied geweest tot op de hoogte van Katwijk ongeveer. Na ± 270 trokken zij zich terug op Nijmegen (heuvelachtig), omdat zij natte voeten kregen. Het zeeniveau ging kennelijk omhoog, hetgeen de nodige gevolgen had.

Feitelijk was in grote lijnen de Noordzeekust, mede historisch gezien, vanaf Calais noordwaarts tot ongeveer halfweg Jutland een lang uitgestrekt waddengebied, “wetland”. Daaraan is door de natuurlijke werking van de zee en door menselijk ingrijpen in de loop der tijden gesleuteld. In zijn geheel, met plaatselijk grote verschillen, oorspronkelijk één groot natuurgebied. Mochten er in die tijd hier en daar wat bewoonbare droogblijvende gebieden zijn geweest – Gaasterland en de Utrechtse Heuvelrug bij voorbeeld – dan leverde dat toch nog geen economisch achterland voor steden als Utrecht. Delahaye moest derhalve aan Willebrord ergens anders een werkterrein aanbieden.

Vanaf ongeveer 900 vallen er gronden droog en komt er, grotendeels door kloosters geleid, een migratie richting noorden op gang. Vanaf het noord-westen van Frankrijk komt die emigratie, daar was dan kennelijk toch een zekere bevolkingsdruk. De bekende historie van Willebrord en Bonifatius enz. heeft zich dáár afgespeeld, maar werd als het ware mee geëxporteerd. De aanwijzingen zijn in het gebied te vinden in de archieven en in verdere historische bronnen tot bij de Romeinen, Tacitus - Caesar - Strabo - Plinius - Ptolomeus, deze dan speciaal betreffende de vroegste geschiedenis van deze hoek van Europa. Archiefstukken in het Latijn en wat later ook in het Oud-Nederlands.

Delahaye ontdekte dus Friezen, Franken en Saksen, waar zij volgens de officiële historici niet konden zijn. Hij poogde de puzzel op te lossen en vervulde hiermee een voortrekkersrol in de herziening van de historische ontwikkelingen van een belangrijk deel van Noord-West-Europa. Er wordt nu door geestverwanten verder aan gewerkt en niet alleen in het Nederlandse taalgebied; Duitsers en Fransen doen ook mee.

Eigenlijk is het maar een klein deel van Europa waarop Delahaye zijn onderzoekingen toespitst. Verder was Europa benoorden de Alpen tot in het begin van het laatste millennium voor Christus zeer dun bevolkt. De omstandigheden waren er dan ook naar. De Scandinavische gletsjers waren wel weg, maar het puin daarvan, en dat van het staartje van de laatste ijstijd, werd maar langzaam door de natuur overwonnen. De Noord­zee, drooggevallen door lager zeeniveau en door puin zoals in de vorige zin geduid, was een tijdlang een landbrug tussen Engeland en het vasteland. Deze verbinding werd verbroken in het tweede millennium v.Chr. door weer stijgend zeeniveau en het bijgevolg wegspoelen van puin, waardoor de eilanden zich aansloten aan het algemene Noord-Europese milieu-gemiddelde.

In Zuid-Europa was de temperatuur wat aangenamer en daar ontwikkelden zich dan de eerste Europese naties met een geschreven geschiedenis van betekenis. Daar had men echter weer meer te kampen met natuurgeweld in de vorm van grootschalige aardbevingen en de daarbij behorende vloedgolven, alsmede ontploffende vulkanen. Meerdere landstreken rondom de Middellandse Zee waren erbij betrokken en in de Egyptische geschiedenis vonden het Oude Rijk en het Middenrijk bij zulke gelegenheden hun einde. Op Kreta kwam de pre-Helleense beschaving tot een einde en de paleizen van Minos werden verwoest. In de hele regio waren door deze geologische rampen herhaaldelijk grote verwarring – losgeslagen, vluchtende volksgroepen – tot stilstand gekomen economieën – ineengezakte landsbesturen.


Van die migrerende volken in Zuid-Europa een enkel voorbeeld. Bekend zijn de Etrusken, afkomstig uit het westen van Klein-Azië. Zij vestigden zich in een gebied ten noorden van Rome, nu bekend als Toscane. De Romeinen hebben hen politiek overvleugeld, maar hun inbreng in Italië was groot. Van hun taal is niet veel bekend; zij werden geromaniseerd.. Het Latijn van Rome en Latium is overigens ook niet zo oorspronkelijk Italisch. Toscane – Florence (Firenze), enfin er zou het beste en zuiverste Italiaans worden gesproken. Dante, Petrarca, Leonardo da Vinci. Zonder de Etrusken zou Italië minder inhoud gehad hebben.

Dan van een migrerend volk in noordelijk Europa ook een voorbeeld: de Goten (Germaans = Israël?). Ik volg hen vanuit Zuid-Zweden richting Krim en ze kwamen vandaar terecht in Spanje en Zuid-Frankrijk en een ander deel in Italië: West-Goten en Oost-Goten. Op hun eindbestemming versmolten zij met de plaatselijke bevolking. Dat was overigens een hele zwerftocht door Europa! Het traceren van zulke tochten is uiteraard voor historici niet altijd zo eenvoudig; foutjes zijn helaas onvermijdelijk. Was dit dan een Israël-injectie in Zuid-Europa?

Vooral vanuit Azië kwamen regelmatig vestigingen in Europa.. Meestal was er dan bij die migratie van een of meer “tussenstations” sprake. Zo’n tijdelijke vestigingsplaats kon wel enkele generaties meegaan. Vestigin-gen van onderscheiden volkjes schoven over elkaar heen of vervingen een omgekomen volkje. Van dit laatste, het vervangen van een omgekomen, of zomaar verdwenen volkje, is Kreta een goed voorbeeld. Toen de voor-Helleense cultuur van Minos bij een natuurramp vernietigd was, kwam hervestiging vanaf het vasteland. Ook die ging ten onder en weer kwam hervestiging; vanwaar was niet duidelijk.

In het oostelijk deel van het Middellandse Zee-bekken begon in het halfduister van het tweede millennium v.Chr. de geschiedenis van het oude Griekenland. Meerdere volkjes vestigden zich aldaar en versmolten er tot “Hellas”. Naast de volkse bagage, die ze meebrachten, was er al spoedig veel wisselwerking en strijd met de hele regio tot in Egypte en later ook Perzië. Aldus ontstond het eerste filosofische laboratorium van Europa. Men spreekt er nòg over!

We zijn wel erg doende met al die volkjes, maar zo bijzonder was dat eeuwenlang niet en van een vaste woonplaats was dikwijls geen sprake. Als de oogst tegenviel, als de bouwgrond verzilt raakte door eenzijdige bevloeiing, als droogte toesloeg of een ziekte een volksgroep ruïneerde, stierf men uit of trok weg. Een sterk volk verdrong een zwak volk of roeide het uit; er zwierf wat rond!

Samenvattend kom ik tot de conclusie, dat het zwerven van stammen en volken tot op zekere hoogte eeuwenlang een normale zaak was. Tijden van betrekkelijke rust wisselden met verwarring en dat hoefde niet een heel continent te betreffen. Daarbij is Europa gewoon een deel van het Euraziatisch continent, maar het was wel een vangnet.

Uit Azië kwam het een en ander, maar uit welk deel was nogal verschillend in de tijd. Ik wil nu de regio van Palestina tot en met Perzië onder de loupe nemen. Het land van Saddam Hoessein ligt er middenin: het oude Tweestromenland.

Ik heb vernomen van theorieën, die in het hele gebied, maar als kern toch de Eufraat en de Tigris, situeren de ‘uitvinding’ van landbouw en veeteelt. Dus niet heen en weer trekken van nomaden-volken met hun kudden, maar zorg besteden aan het land en een vaste productie van voedingsmiddelen. De datering van het begin van deze ontwikkeling is on-geveer 8000 jaar geleden.

Op de grondslag van vaste voedselproductie en alle aanverwante activiteiten in de betreffende samenlevingen, zoals ambachten, waterbeheersing, opkomende handel, bestuurlijke functies en de daaruit voortvloeiende maatschappelijke ordening, hoe dan ook, bloeiden in de loop van jaren de culturen van Babylon enz. op. We raken hier aan de wortels van onze beschaving en dat is belangrijk, maar voorlopig niet meer dan dit.

 

We verkenden in enige korte schetsen de geboortestreek van de antieke beschavingen in het Midden-Oosten. Archeologen en verdere onderzoekers bestrijken met hun studies een tijdperk van zeker 4000 jaar. Zo lang bestaat Europa nauwelijks als Europa (inclusief de ontstaansgeschiedenis van Griekenland). In dit gebied van de oude beschavingen leeft ook Abram, door de Heer van het Al uitverkoren te worden tot de stamvader van een speciaal te formeren volk “Hem ten dienste”. Uit het “Ur der Chaldeeën” (Gen.11:31) komt hij en moet daar weg omdat, ondanks alle culturele en andere verworvenheden, de landen daar totaal ongeschikt zijn voor Gods plan met Abram. Zijn vrouw heette Sarai en wordt de verkozen stammoeder. Beiden zullen in hun verbond met God worden tot stamouders van vele volkeren en koningen zullen uit hen voortkomen (Gen. 17:4-6 en 16). Hun namen zullen voortaan Abraham en Sara zijn. Zij worden met hun hele hebben en houden op pad gestuurd naar “het land dat Ik u wijzen zal” (Gen. 12:1).

 Dat land (2 Sam. 7:10) wordt het thuisland van zijn nazaten, zij het met een onderbreking van een kleine 3000 jaar.


De onderbreking in de bewoning van het eerste (en het eigenlijke, definitieve thuisland) is in een andere plaats, respectievelijk plaatsen voorzien en het zou veel tijd kosten vóór allen, of de meesten, op de tijdelijke locaties verzameld zouden zijn. Deze tijdelijke, voor Israël bestelde plaats, een tijdelijk thuisland, de plaats waar Israël in het laatste der dagen betrekkelijk veilig zal zijn, wordt ook wel genoemd “binnenkamers”, waarin Israël zich moet terugtrekken als de laatste stormen over de wereld razen (Jes. 26:20). Ik wijs u op duidelijk aan te tonen ruzies (zachtjes gezegd) van de vele groepen uit Israël vóór iedereen zijn plaatsje had. Dat is overigens een heel natuurlijk verschijnsel en wordt ook wel aan-geduid als de “pikorde”. Het is nog maar kort zo, dat oorlog tussen Israël-volken in Europa eigenlijk niet meer bestaand is, maar de ‘natuurlijke’ toestand is anders. En wat hebben we geknokt en er de vroomste argumenten bijgehaald! In Oudtestamentische tijd was het niet echt anders. Er was hier in Europa, en na ±1500 ook elders in de wereld tussen dezelfde broeders eigenlijk alleen maar sprake van schaalvergroting. En had men zelf niet genoeg soldaten, maar wel geld, dan huurde men soldaten, jon-gens uit arme streken, waar niets te verdienen viel. Zo is onze “tachtigjarige oorlog” hoofdzakelijk uitgevochten met Schotse, Duitse en Zwitserse huurlingen; ook officieren werden geworven.

Nu dan terug naar Abraham en zijn vrouw Sara. Het bekende verhaal dat zij kennelijk geen kinderen kon krijgen en dat, op initiatief van Sara, haar slavin Hagar optreedt als plaatsvervangster. Heel vroeger vond ik dat wel vreemd en het heeft grote gevolgen tot in onze dagen. In theorie – andere oorzaken laat ik nu even liggen – zitten we er nu mee. Zie ik op de frontpagina van een buitenlands tijdschrift: “Abraham de vader van drie geloven”. Op zich zit daar wel wat in, maar in engere zin is het niet bijbels. Ismaël wordt ook tot een groot volk, maar de rijkwijdte daarvan is minder, ziet u zelf maar in Gen.16:12. Bovendien zijn er wel veel volgelin-gen van een geloof, ontstaan in Arabische kringen, maar die zijn nog geen afstammelingen van Abraham-Ismaël. En dan praten we nog niet over het percentage afstammelingen, hetgeen ook geldt voor de lijn Abraham-Izaäk.

Voor deze lijn geldt voor de niet-directe afstammeling de clausule bij Rom. 11:17-24, hetgeen echter ook weer geldt voor iederéén, die aan de voorwaarden, gesteld in Romeinen voldoet.

Voor Abrahams zoon Izaäk gaat de oudste knecht van Abraham in diens opdracht een vrouw halen. Tja, zo af en toe denk ik wel eens iets in de trant van “‘s lands wijs, ‘s lands eer”. Ik noteer dat die knecht, als hij constateert de juiste vrouw, ingevolge zijn opdracht, gevonden te hebben, haar een ring aan haar neus deed.! Enfin, volgens mij is dat toch een goed huwelijk geworden.

Dan zijn we al gauw een generatie verder en zijn daar Jacob en Ezau. Dat met die twee laat ik nu maar zo en ga verder met de zonen van Jacob, want daar draait het verder om. Jacob krijgt 12 zonen en één (?) dochter. De finesses laat ik nu voor wat ze zijn. Eén van de zonen, Jozef, brengt het tot onderkoning van Egypte en daar is de familie goed mee. Jozef was als plaatsvervanger van de Farao een manager eerste klas en runde Egypte als een soort bedrijf, waarbij goed op de centjes gelet werd. Op basis van de dromen van de Farao had Jozef een goede analyse gemaakt van de economische situatie van Egypte en op tijd passende maatregelen getroffen om een komende hongersnood het hoofd te kunnen bieden. Toen de hongersnood zich aandiende, verspreidde zich al gauw het nieuw­tje, dat in Egypte voor goed geld nog wel wat te krijgen was. Zo stuurde Jacob zijn zonen, behalve Benjamin en uiteraard Jozef, op pad naar dat land. Daar werden ze door de hoogste chef ontvangen, hun eigen broer, die ze wel heel beroerd behandeld hadden, maar die ze niet herkenden vanwege de ambtskleding. Zo had Jozef toch de gelegenheid ze als straf even flink in de rats te laten zitten bij controle van hun bagage.

(wordt vervolgd)

J.C. Koekebacker

 

 

“Ik ben immers met u”

 

Toen de apostel Petrus zijn befaamde Pinksterrede uitsprak, richtte hij zich tot ‘Joden en allen, die te Jeruzalem woonachtig zijn’. Een samenvatting van deze rede vinden wij in Handelingen 2.

 


Even later spreekt hij zijn toehoorders aan met ‘mannen van Israël’ en ‘het ganse huis Israël’. Dat deed hij niet om het gehoor te strelen van allen die naar hem luisterden. Petrus wist tot wie hij sprak en waarover:

tot Israël, de Bruid over de Bruidegom Jezus Christus,

tot Israël, het Koninkrijk over de Koning Jezus Christus,

tot de Gemeente in Israël, over het Hoofd van die Gemeente, Jezus Christus.

 

Petrus kende de geschiedenis. En die kende hij uit de Bijbel; voor hem dus – wat wij nu noemen – het Oude Testament. Zonder de Bijbel is de geschiedenis een blijvend raadsel. Maar door de Bijbel, door ons geloof heeft de geschiedenis inhoud gekregen en kennen wij het doel. Voor wie aan die inhoud en dat doel voorbij gaat, geldt: wie van de geschiedenis niets heeft geleerd, is gedoemd die opnieuw te beleven. Of wellicht iets minder scherp, maar even waar: wie van de geschiedenis heeft geleerd, is in staat de toekomst beter te begrijpen. Buitengewoon belangrijk.

 

Nu is het wel bekend, dat over de geschiedenis evenveel meningen zijn als over het geloof, vooral als het gaat over de toekomst. Om een paar uitersten aan te geven: de een zegt dat Christus spoedig komt, een ander meent dat het nog wel een tijd zal duren, want er moet nog veel gebeuren.

 

Eén ding is echter heel zeker: alle zekerheden worden of zijn weggenomen. Er gaat geen dag voorbij of wij horen van rampen, moordaanslagen, epidemieën, onenigheid tussen regeringsleiders. Om maar niet te spreken over de economische situatie.

 

Kom, niet al te somber. Een beetje optimistisch blijven! Laten wij eerlijk zijn, voor optimisme is geen enkele grond, zeker niet voor het zogenaamde vooruitgangs-optimisme, waarin de geleerden (valse profeten?) ons willen doen geloven. Als wij alleen al letten op de mondiale milieuvervuiling (natuurvernietiging), die apocalyptische vormen begint aan te nemen, kunnen wij van het tegendeel overtuigd worden. Diezelfde geleerden willen ons ook het beeld voorspellen van de omhooggeklommen superieure mens; de werkelijkheid is daaraan volkomen tegengesteld.

 

Voor optimisme mag dan geen reden zijn, wij behoeven toch ook niet al te somber te zijn? Vrede, vrede en geen gevaar. De legers kunnen worden afgeschaft, als ...

>> als wij de heren Bush, Chirac en Schröder maar te vriend houden,

>> als wij de Paus maar niet voor het hoofd stoten,

>> als wij ‘Brussel’ maar trouw volgen,

>> als wij satan maar niet voor de voeten lopen.

 

En juist deze laatste is het die nog steeds de macht in handen heeft. Nee, niet met behulp van brandstapels of inquisitie. Dat heeft niet gewerkt. De martelaren bleken het zaad van de kerk te zijn. Hij werkt nu veel subtieler. De waarheid wordt uitgeschakeld door manipulatie (een fraai woord voor hersenspoeling). En daarmee heeft iedereen te maken door krant, radio, T.V. en niet te vergeten Internet. De waarheid wordt ontluisterd en de bedoeling is, dat men er toe komt de waarheid te ontkennen en uiteindelijk tot de slotsom komt, dat er geen waarheid meer is. En ten slotte wordt Hij, Die gezegd heeft “Ik ben de waarheid” ontluisterd en ontkend. En met nadruk: wie ontkent, vergeet en wie vergeet, raakt zijn geloof kwijt. En wie Jezus de Heer nog niet helemaal heeft afgeschreven, heeft Hem losgemaakt van Israël, Zijn volk, Zijn Koninkrijk.

 

De toestand is alarmerend. ‘Vrede, vrede, terwijl er geen vrede is’ roept Jeremia uit (8:11). Israël in het Westen en Noord-Amerika wordt overspoeld met culturen, die in strijd zijn met het christendom. Er zijn in Engeland meer Islamieten dan leden van de Engelse Kerk. Over enkele tientallen jaren zal de bevolking van de Verenigde Staten voor 50% ‘gekleurd’ zijn. En Nederland wordt geadviseerd aan immigratie te gaan denken. Onze eigen jongeren kunnen binnen afzienbare tijd de kosten van de vergrijzing niet meer opbrengen en daarom moet een beroep worden gedaan op jongeren uit ... de derde wereld. En wee degene, die zich daartegen verzet. Maar ach, tegen die tijd zal mede door de invloed van de media de tegenstand zijn gebroken.


Het zal echt zo’n vaart niet lopen. Bangmakerij! Ver van ons bed! Leest u Mattheüs 24 maar eens. Woorden van Jezus zelf en dan is het – daarop aansluitend – verstandig ook Openbaring 13 op te slaan. Of wordt u daar onrustig van? Als het dan maar heilige onrust is. Optimisme? Pessimisme? Nee, realisme. Luister naar de vermaning, die Petrus uitspreekt aan het einde van zijn rede: ‘Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht’ (vs 40). En met ‘dit verkeerde geslacht’ doelt hij op de tegenstanders van onze Here Jezus Christus. Zij zijn er. Wij hoeven slechts om ons heen te zien. Onder andere de media geven daarvan angstwekkende voorbeelden.

 

Even terug in de geschiedenis, naar Mozes. Mozes, opgevoed in alle wijsheid van de Egyptenaren, is gevlucht naar Midian, waar hij wordt opgeleid tot ... schaapherder (Ex. 2). Ja, de koningszoon wordt schaapherder. Dan komt God naar hem toe met de woorden: ‘Ik heb terdege gezien de ellende van Mijn volk . . . daarom ben Ik nedergedaald om hen . . . te redden’ (Ex. 3: 7 & 8).  Daarvoor wil God Mozes gaan gebruiken. Maar deze vindt zich niet de juiste persoon, hij weet er geen raad mee. Dan antwoordt God: ‘Ik ben immers met u’ (Ex. 3:12).

 

Weten wij er geen raad mee? Zien wij het niet meer zitten? Evenals God naar Mozes toekwam, is God in Christus naar ons toegekomen. Daarover sprak Petrus. Dat is de kern van het evangelie. ‘Toen zij dat hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen’ (Hand. 2:37). Zo diep, dat zij ogen­blikkelijk tot handelen willen overgaan. ‘Wat moeten wij doen?’ En het antwoord: ‘Bekeert u’. Dan zal het worden zoals Paulus het tegen de Efeziërs – ook Israëlieten – zei: ‘Maar gij geheel anders; gij hebt Christus leren kennen’ (Ef.4:20). Hoe de situatie in de wereld ook moge zijn, toch is er geen enkele reden de moed te verliezen. Want er is hoop.

 

Als wij onze ellende beseffen, als wij beseffen hoe ernstig wij tegen Hem hebben gezondigd en dan tot Hem roepen, zal Hij horen en komen om ons, om Zijn volk – en allen die Hem liefhebben – te verlossen van alle ongerechtigheden. Zoals Hij ook eens Zijn volk uit Egypte heeft gered. 

Dit wordt prachtig verwoord door de dichter van Psalm 130:

 

“Een bedevaartslied.

 

Uit de diepten roep ik tot U, o HERE.

Here, hoor naar mijn stem;

laten uw oren opmerkende zijn

op mijn luide smekingen.

Als Gij, HERE, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt,

Here, wie zal bestaan?

Maar bij U is vergeving,

opdat Gij gevreesd wordt.

Ik verwacht de HERE,

mijn ziel verwacht en ik hoop op zijn woord;

mijn ziel wacht op de Here,

meer dan wachters op de morgen,

wachters op de morgen.

Israël hope op de HERE,

want bij de HERE is goedertierenheid,

bij Hem is veel verlossing;

Hij zelf zal Israël verlossen

van al zijn ongerechtigheden.”

 

‘Ik ben immers met u!’  Niet alleen vandaag, niet alleen morgen, maar altijd!

J. Alberts

 

 


                            DE MOEDER VAN PAULUS

 

                                                                 Romeinen 16

 

De apostel Paulus zendt in zijn ‘Brief aan de Romeinen’ groeten aan een aantal christenen en bloedverwanten in de stad Rome, inbegrepen “Rufus, de uitverkorene in de Here, met zijn moeder, die ook voor mij een moeder is” (“...and his mother and mine” KJV)(“...en syn mem en mines” Fr.V)(“en zijn moeder en de mijne” St.V.).

Achter deze eenvoudige boodschap ligt een overvloed aan familie-gebeurtenissen verborgen die niet in de Schriften zijn opgenomen, maar gevonden in historische bronnen en tradities, gepubliceerd door Edwin Wilmshurst in zijn boek ‘St Paul in Britain’. Twee expedities naar Rome en een naar Jeruzalem stelden deze schrijver in staat gegevens te verzamelen die van het grootste belang zijn.

De grootvader van Saul (Paulus) was een zeer vermogende Benjaminiet van Tarsus, de hoofdstad van Cilicië, de bergachtige provincie van Klein-Azië in het noorden van Syrië. Als Griekse Hebreeër had hij ‘voor een grote som geld’ voor zichzelf en zijn familie het Romeinse staatsburgerschap gekocht en een Romeinse naam toegevoegd aan zijn Hebreeuwse familienaam. Zijn zoon Davidus voegde, zoals de gewoonte was, de Romeinse naam Appius Tullius toe, waarschijnlijk door adoptie in het Tulliaanse geslacht. Hij nam dienst in het Romeinse leger; werd bevorderd tot centurion en hij was het die tegen Jezus zei: “Spreek slechts het woord en mijn knecht zal genezen worden”. Van hem zeiden de Joden: “Hij heeft ons een synagoge gebouwd”. Een onverklaarbare handeling, tenzij de geromaniseerde centurion belangstelling had voor de verachte religie van de Joden. Zijn vrouw Praxedes liet hij achter als een rijke, door een Romeinse opvoeding ontwikkelde weduwe. Pudentinus, een Romeinse patriciër, die in Klein-Azië was gestationeerd als een hoge ambtenaar in civiele dienst, trouwde de weduwe Praxedes. Dit was waarschijnlijk een doorn in het oog van haar zoon Saul, een ultra-orthodoxe en intolerante Farizeeër van de strengste Joodse sekte, die toen de Romeinse naam Paulus kreeg. Pudentinus keerde, met zijn vrouw Praxedes, naar Italië terug en hun enige kind, Rufus Pudens, werd daar geboren.

Saul, die getraind was in de school van Gamaliël, de meest orthodoxe van Jeruzalem, was een trotse en onbuigzame tegenstander van de sekte van de Nazareners. Zijn sociale positie en invloed onder de Joden was zo groot dat de hogepriester hem de opdracht toevertrouwde om met een militair escorte naar Damascus te gaan en de ketterij in die stad uit te roeien.

Veel vermogende Joden namen dienst in het Romeinse leger; het is dan ook niet verwonderlijk dat Sauls vader, Davidus van Tarsus, was bestemd voor die loopbaan door zijn vader, ofwel dat hij die volgde uit eigen vrije wil. Dat hij al vroeg, toen nog centurion in Capernaüm, onder de indruk was van Jezus als Messias en ook geliefd was bij diens landgenoten, de Joden, vanwege zijn edelmoedigheid (‘hij heeft ons een synagoge gebouwd’), komt duidelijk uit het bijbelverhaal naar voren. Het was een normale gang van zaken onder de inwoners van Tarsus hun kinderen naar andere steden te sturen om te studeren, speciaal naar Jeruzalem, waar zij zo talrijk waren dat ze een eigen synagoge hadden, de ‘synagoge van de Ciliciërs’ genoemd. Naar Jeruzalem stuurde de centurion zijn zoon Saul (Paulus) om ‘aan de voeten’ van de voortreffelijke rabbi Gamaliël onderwezen te worden in de wetten van Mozes. De nakomelingen van Benjamin gaven hun kinderen dikwijls de naam Saul, al sedert de tijd van de eerste koning van Israël, die uit die stam was gekozen en Paulus was een veel voorkomende naam bij de Romeinen.

Als Davidus zijn zoon in Jeruzalem ontmoette, of als zij thuis in Tarsus met verlof waren, werd hij niet moe over zijn geloof in Jezus van Naza-reth te praten als de lang verwachte Messias, die zijn knecht op zo’n wonderbaarlijke wijze had genezen. Zijn vrouw Praxedes vatte meteen de waarheid en werd christen, maar haar zoon Saul wilde er niets van weten. Omdat hij zich grondig de wetenschappen, gecultiveerd door de Joden, had eigen gemaakt en van nature een trotse heethoofd was, werd hij ongeduldig als hij oppositie ervaarde tegen de leerstellingen die hij in zich had opgenomen. Hij vervloekte de christenen en ging ze vervolgen. Hadden de Farizeeërs niet verklaard dat Jezus niet de Messias was? Wist hij zelf ook niet dat zijn volk een koning verwachtte die zou komen in macht en majesteit?


Sauls vader Davidus stierf en liet zijn zoon, niet overtuigd van de waarheid van deze Nieuwe Weg, achter. Nu zijn vader er niet meer was zou hij met alle middelen die hem ter beschikking stonden, proberen deze nieuwe religie te vernietigen. Zijn vermogen en sociale status stelden hem in staat het Sanhedrin te benaderen met voorstellen hieromtrent; van de hogepriester kreeg hij aanbevelingsbrieven om naar Damascus te gaan en de christenen, die voor hun veiligheid daarheen waren gevlucht, te elimineren. Saul kreeg een militair escorte mee en ging op weg voor een lange reis. Terwijl hij voortreed, begon hij zich steeds minder enthousiast te voelen over deze verraderlijke onderneming. Wat als zijn vader gelijk had? Hij was er zo zeker van dat Jezus van Nazareth de Christus was en Saul had een verandering in zijn vaders gedrag opgemerkt, een edelmoedige verdraagzaamheid en een geest van liefde ten opzichte van degenen met wie hij in contact kwam. En zijn lieve en vriendelijke moeder, was zij ook werkelijk misleid? Hij moest deze ongemakkelijke gedachten wegstoppen; zijn geweten begon hem te hinderen; hij zou spoedig Damascus bereiken en zich van deze christenen ontdoen, die durfden te zeggen dat het Sanhedrin zich had vergist door Jezus af te wijzen. En weer begon zijn geweten hem te plagen. De gebeurtenissen bij het laatste ziekbed van zijn vader en de gepijnigde uitdrukking op zijn moeders gezicht door zijn houding ten opzichte van de nieuwe Weg, kwamen hem voor de geest. Dan was er ook nog Stefanus – in wiens dood hij had toegestemd – met woorden van vergeving op de lippen en zijn vertrouwen in God, terwijl hij de laatste adem uitblies: ‘Heer Jezus, ontvang mijn geest’. Maar waarom had hij zo’n gewetenswroeging? Hij had beslist gelijk door zich van de christenen te ontdoen.

Dit waren Sauls gedachten terwijl hij op het punt stond Damascus binnen te gaan, toen ”hem plotseling licht uit de hemel omstraalde; en ter aarde gevallen, hoorde hij een stem tot zich zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? En Hij zeide: Ik ben Jezus, die gij vervolgt. Maar sta op en ga de stad binnen en daar zal u gezegd worden, wat gij doen moet. En de mannen die met hem reisden, stonden sprakeloos, daar zij wel de stem hoorden, maar niemand zagen. En Saulus stond op van de grond en hoewel hij zijn ogen open had, kon hij niets zien, en zij leidden hem bij de hand en brachten hem naar Damascus. En hij kon drie dagen lang niet zien, en hij at of dronk niet. Nu was er te Damascus een discipel, genaamd Ananias; ene de Here zeide tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zeide: Zie, hier ben ik, Here. En de Here zeide tot hem: Sta op, en ga naar een straat die de Rechte heet, en vraag ten huize van Judas naar iemand uit Tarsus, genaamd Saulus, want zie, hij is in gebed en hij heeft in een gezicht een man, genaamd Ananias, zien binnenkomen en hem de handen opleggen, opdat hij weer zien kon. En Ananias antwoordde: Here, ik heb van velen over deze man gehoord, hoeveel kwaad hij uw heiligen te Jeruzalem aangedaan heeft; en hier heeft hij volmacht van de overpriesters om allen, die uw naam aanroepen, gevangen te nemen. Maar de Here zeide tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren werktuig om mijn naam te brengen voor heidenen en koningen en de kinderen Israëls; want Ik zal hem tonen hoeveel hij lijden moet ter wille van mijn naam” (Hand.9:3-16).

De bekering van Paulus is misschien de meest dramatische gebeurtenis geweest in de apostolische gemeente, en met welk een vreugde hoorde zijn moeder, Praxedes, van de grote verandering die bij haar zoon had plaatsgevonden. Saul had zijn halfbroer Rufus waarschijnlijk nooit gezien en had zeker nooit zijn moeder vóór zijn bekering in Rome bezocht, maar daarna schreef hij in zijn ‘brief aan de Romeinen’: “Groet Rufus”, hem bij zijn voornaam noemend “met zijn moeder, die ook voor mij een moeder is” (his mother and mine). Het is een opmerkelijk feit dat de twee zonen van Praxedes de enigen zijn die in het Nieuwe Testament worden aangeduid met de term ‘uitverkoren’. Paulus’ moeder was in de buurt om haar zoon te steunen en te bemoedigen tijdens zijn gevangenschap in Rome. Zij moet op beide zonen even trots zijn geweest: op haar oudste als ‘een uitverkoren werktuig voor de Heer’ en op de jongste, door Paulus genoemd ‘de uitverkorene in de Here’, die door zijn aanleg en talenten zoveel voor de vroege kerk heeft betekend.

Mariamne, de zuster van Praxedes, nam bij haar huwelijk met een andere Romeinse patriciër de naam Priscilla aan. Zij werd eveneens een rijke weduwe, bekeerde zich en op haar eigen grondgebied, buiten de poort van Salaria, bouwde zij een privé kerkhof, nu nog bekend onder de naam ‘Catacombe van Priscilla’. Beide zusters maakten deel uit van een gerenommeerde groep christenen van wie velen stierven voor hun geloof in Jezus Christus. De grote apostel werd altijd gesteund door hun gebeden en liefderijke vriendschap en niet in het minst door die van Praxedes, zijn moeder.