Maar
de meeste van deze is de LIEFDE
“Zo
blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de
liefde.” (1
Corinthiërs 13:13)
Het
dertiende hoofdstuk van Paulus’ eerste brief aan de Corinthiërs is een van
de bekendste hoofdstukken uit de Bijbel en tevens een hoofdstuk waar de meeste
christenen moeite mee hebben. Zouden we ons houden aan dit hoofdstuk, dan
waren er veel minder denkrichtingen onder de gelovigen en veel minder
verschillende kerken.
Om
het eens heel simpel te zeggen: Als we vinden dat een ander het niet met ons
eens is, is de ander fout en als hij of zij dat niet wil veranderen, breken we
met die ander en gaan we voor onszelf beginnen. Het gevolg is dat er thans
naast de honderden verschillende groeperingen, ook vele gelovigen zijn, die
zich nergens meer willen aansluiten. Ze zijn uitgestoten door het niet eens
zijn met bepaalde opvattingen in de kerk of beweging waarbij ze zich eerst
hadden aangesloten of waarin ze zijn opgegroeid. Ze stelden vragen naar het
hoe en waarom van zekere opvattingen en rituelen, die ze niet in de Bijbel
konden terugvinden. Dat werd niet op prijs gesteld. Hun vragen werden niet
onderzocht en besproken. Teleurgesteld gingen ze weg of ze werden uitgestoten.
“De
liefde is lankmoedig, de liefde is goedertieren, zij is niet afgunstig, de
liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel, zij
zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwade niet toe.
Zij is niet blijde over ongerechtigheid, maar zij is blijde met de waarheid.”
(1 Corinthiërs
13:4-6).
We
hebben die liefde ervaren in gemeenten waarvan van harte hebben samengewerkt
ondanks verschillen van mening. We hebben ook de liefde gemist in kerken en
gemeenten waar we evenveel hebben meegewerkt, maar om verschil van opvatting
onder censuur werden gezet en ten slotte moesten weggaan. De liefdeloosheid
kan aan de kerk, gemeente of organisatie liggen, maar ook aan de
‘vragensteller’, die ten slotte breekt. Verbittering is zo gemakkelijk een
gevolg van onenigheid. Gods Woord is zo rijk en als we iets nieuws in de
Bijbel (her)ontdekken, willen we dat graag met een ander delen. Het is niet
direct zeker of we gelijk hebben, maar laten we samen onderzoeken, dikwijls
zijn er meerdere mogelijkheden van verklaring. Alleen al in het
scheppingsverhaal in Genesis zitten verschillende mogelijkheden. Het tweede
vers “de aarde nu was woest en ledig” kan net zo goed vertaald worden als
“de aarde nu werd woest en ledig”, waardoor en een geheel ander beeld in
zicht komt. Moeten we elkaar nu verketteren om onze opvatting over dit eerste
begin? Zo zijn er over de eerste hoofdstukken van de Bijbel nog verschillende
vertalingen en dus inzichten mogelijk. Houden we vast aan wat ons altijd
geleerd is of staan we open voor verdere openbaring en nieuwere inzichten, die
niet in strijd zijn met de grondtekst van de Bijbel?
Als
we denken dat iemand niet de juiste verklaring geeft, moeten we dan met zo
iemand breken, als hij of zij ook gelooft in de inspiratie van de Bijbel. Is
het wel helemaal zeker dat wij zelf de goede verklaring geven. Zit er
misschien toch wel waarheid in de mening van de ander, een medegelovige?
In
onze dagen van afval van het geloof, ontmoeten we mensen, die worstelen met
vragen over het geloof en zelf de Bijbel lezen en bestuderen. Wat staat er nu
precies in deze of die tekst. Als we gelovig zoeken, zullen we vinden, maar
niet iedereen vindt hetzelfde. “Geworteld
en gegrond in de liefde, zult gij dan samen met alle heiligen, in staat
zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te
kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij
vervuld wordt tot alle volheid Gods.” (Efeziërs
3:17-19).
We
hebben elkaar dus hard nodig. Daarbij niet denkend dat onze verklaring van een
probleem de enige oplossing is.
“Leert
van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust
vinden voor uw zielen;” (Mattheüs
11:29).
In
deze houding van onze Heer kunnen we elkaar opbouwen in de liefde.
G.
van der Laan
![]()
De
Gelijkenissen van het Koninkrijk
VII
DE
ZAAIER
In
de gelijkenissen van het Oude Testament is één van de zich steeds herhalende
thema’s die van verzoening tussen God en Israël met de belofte van een
toekomstig herstel als volk van God. In de gelijkenissen van het Nieuwe
Testament bereikt het thema zijn apotheose, want het middel van die verzoening
is realiteit geworden in de persoon van onze Heer, Jezus Christus, wiens offer
Israël bevrijdt van de verplichtingen van het oude Verbond, zoals
aangekondigd in de gelijkenis van Hosea. Door het offer van Jezus is het
koninkrijk verlost, dat wil zeggen, de verlossingsprijs voor het verbreken van
het Oude Verbond, dat de dood tot gevolg zou hebben, is betaald. De apostel
Paulus verwijst naar de noodzaak voor deze ultieme straf als hij verklaart
dat “het loon, dat de zonde geeft, is de dood...” (Rom.6:23). Verlossing
dus maakt de weg vrij voor het herstel van het koninkrijk. Het maakt ook de
weg vrij voor het herstel van de schepping vanuit zijn vervallen staat,
waarvan verslag is gedaan in het derde hoofdstuk van Genesis.
In
de voortgang echter naar die uiteindelijke staat van alles omvattende harmonie
met God, moet eerst zijn koninkrijk worden hersteld tot een onberispelijke
staat, zodat het een geloofwaardige getuige kan zijn van de almacht en
alomtegenwoordigheid van God, onze Schepper. Het resterende deel van de
mensheid zal dan de gelegenheid krijgen burgers te worden van het koninkrijk
als zij Jezus Christus aannemen als hun Redder, Heer en Koning.
Maar
dat ligt nog in de toekomst verscholen, want het koninkrijk heeft zich nog
niet bekeerd van zijn boze wegen en is nog niet naar God teruggekeerd. Tijdens
de eerste komst van onze Heer was het volk van Israël in feite nog in alle
richtingen verstrooid. Jakobus onderkent dat als hij zijn brief schrijft aan
“de twaalf stammen in de verstrooiing”. Daarom moeten zij het nieuws van
hun verlossing te horen krijgen en dat is de opdracht van Jezus aan de
apostelen: “...begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls”
(Matt.10:6). De joden in die dagen waren slechts een klein overblijfsel van
het volk Israël, hoofdzakelijk afstammelingen van de stammen Juda en
Benjamin. Judea was een provincie van het Romeinse rijk en stond onder
jurisdictie van een Romeinse procurator. Door hun verkeerde interpretatie van
de Schriften verwachtten de joden de komst van iemand die hun koning zou zijn
en hun onafhankelijkheid zou herstellen. Toen Jezus kwam in de rol van
lijdende Messias wilden zij hem niet aanvaarden. Tijdens zijn proces voor
Pilatus werd het voorstel om Hem vrij te laten door het volk, dat zijn eigen
voorkeur voor Barabbas bekendmaakte, afgewezen. In Galilea echter waren mensen
die ontvankelijk waren voor het onderwijs van Jezus en uit hen koos Hij zijn
discipelen. De Galileeërs waren nakomelingen van de stam van Benjamin die, na
de deling van het koninkrijk na Salomo’s regering, op Gods bevel bij het
Huis van Juda moesten blijven (I Kon.11). Een deel van de natie die trouw was
gebleven aan de dynastie van koning David, vertegenwoordigde nog altijd het
Huis van Juda tot de eerste komst van Jezus. Zijn gesprekken met de joden
hadden ook de gelijkenissen als onderwerp, woordbeelden die toekomstige
situaties van het leven in het koninkrijk illustreren. De discipelen vroegen
hem waarom Hij de mensen verhalen vertelde zonder de werkelijke betekenis te
onthullen. Zijn antwoord was: “Omdat het u gegeven is de geheimenissen van
het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven” (Matt.13:11).
De
vijandige houding van de joden ten opzichte van de leringen van Jezus en hún
interpretatie van de profetieën betreffende de komst van de Messias zou een
barrière zijn voor hun inzicht in de boodschap van de gelijkenissen. Aan zijn
discipelen legde Hij de betekenis achter de illustraties uit, maar de massa
die zijn woorden hoorde, liet Hij in het duister. Hij licht verder de reden
toe waarom Hij hen de werkelijke betekenis van de gelijkenissen onthoudt, als
hij zegt: “Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende
niet zien en horende niet horen of begrijpen” (Matt.13:13). Zij zagen Jezus
als een mens, zij wilden Hem niet zien als de Zoon van God. Zij hoorden zijn
onderwijs, maar dat was tegenge-steld aan hun eigen geloof en tradities, zodat
zij zijn bedoeling niet begrepen. In deze NT-gelijkenissen klinkt ook een
steeds weerkerend thema door, want ook zij zijn profetisch in hun betekenis.
De apostelen wisten dat de dood en opstanding van Jezus verzoening zou
bewerkstelligen en ook het herstel van het koninkrijk, zoals de vraag laat
zien die zij stelden aan de verrezen Heer: “Gaat u in deze tijd het
koninkrijk voor Israël weder oprichten?” Herstel van het koninkrijk aan
Israël was dikwijls vervat in de boodschap van de profeten, hoe zwaar ook de
veroordeling voor de misdaden van het volk, die aan de belofte voorafging. Zo
ook zien we herstel als overheersend thema in de NT-gelijkenissen, want zij
geven inzicht in de ontwikkelingen van het koninkrijk in de laatste dagen tot
het eind der tijden. De eerste is te lezen in Mattheüs 13. De schrijver
schetst het tafereel van een bijzondere gebeurtenis, waarin een grote menigte
samenkomt om Jezus te ontmoeten, die hen aanspreekt als zij een plaatsje
zoeken op het strand. Hij gaat aan boord van een schip omdat in die gunstige
positie hij gemakkelijker kan worden gehoord. Hij begint met het verhaal van
de zaaier, aan alle christenen wel bekend. Het zaad valt op verschillende
grondsoorten met verschillend resultaat, zoals de eerste negen verzen
aangeven. De uitleg volgt, niet aan de menigte, maar alleen aan de discipelen.
In het algemeen neemt men aan dat deze gelijkenis een beschrijving is van de
verschillende graden van ontvankelijkheid van mensen voor het evangelie door
de eeuwen heen. Velen horen het maar staan er afwijzend tegenover; bij anderen
varieert de ontvankelijkheid van een lauwe tot algehele aanvaarding van de
Heer. In geestelijke termen; de oogst varieert in kwantiteit en kwaliteit.
Deze interpretatie is klaarblijkelijk beproefd, zoals we kunnen opmaken uit de
geschiedenis van ons nationale geloof en wat het kerkelijk leven heeft
betekend tot nu toe. Maar de boodschap van de gelijkenis blijft niet beperkt
tot het geestelijk aspect alleen. Wat is het zaad? In Jezus’ woorden in vers
19 is dat ‘het woord van het koninkrijk’. Het is Gods woord betreffende
het koninkrijk: het is het evangelie of goede nieuws van het koninkrijk. De
joden van zijn dagen beschouwden zichzelf als de kern van het koninkrijk, want
zij woonden nog in het beloofde land en onderhielden streng de oude Mozaïsche
wetten, waardoor hun identiteit behouden bleef. Toch, omdat zij de Messias
afwezen, profeteerde Jezus hun het komende oordeel in deze bewoordingen:
“Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en
het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt”(Matt.21:43).
Dat ‘volk’ (Gr.ethnos) waaraan onze Heer refereerde kon alleen Israël
zijn op de ’bestelde plaats’, dat de ‘vruchten’ had voortgebracht die
het product waren van de wereldwijde evangelieboodschap. Wij hebben weinig of
geen idee hoe de koninkrijksboodschap werd ontvangen door onze voorouders in
de eerste eeuw. Misschien, zoals het ook nu nog gaat, ontdekte Paulus al, toen
hij de verstrooide stammen opzocht die in het westen van Europa woonden, dat
de kennis van hun Israëlidentiteit grotendeels verloren was gegaan.
Klaarblijkelijk wist hij dat dit het geval zou zijn, want hij zegt in zijn
brief aan de Romeinen: “...een gedeeltelijke verharding is over Israël
gekomen” (11:25). De uitkomst van die verklaring is juist gebleken, want
door de eeuwen heen, laat historisch bewijs zien dat er altijd groepen en
individuen zijn geweest die hebben geweten van de voorouderlijke bijbelse
wortels van de natie. Aan het begin van de vorige eeuw werd het onderwijs over
de identiteit van het koninkrijk in het algemeen goed ontvangen en
geaccepteerd, zowel in Brittannië als in de kustlanden. Maar zoals dat met
het geestelijk aspect van het christelijk geloof het geval is, heeft ook het
geloof in het koninkrijk van God op aarde steeds minder aanhangers. Het
evangelie van het koninkrijk wordt dikwijls met gemengde gevoelens ontvangen,
of zelfs totaal afgewezen.
In
de profetieën die verwijzen naar het einde van deze eeuw is de geloofsafval
een van de tekenen die voorafgaan aan de komst van de Heer. In zijn tweede
brief aan de Thessalonicenzen verwijst ook Paulus hiernaar en hij gebruikt het
Griekse woord apostasia. De lauwheid van de geloofsgetuigenis vandaag
de dag is overduidelijk, terwijl de afval, die gepaard gaat met de groei van
het materialisme, morele en geestelijke achteruitgang in het koninkrijk tot
gevolg heeft.
Consequenties
van het verschil in ontvangst
De
zo verschillende resultaten die de zaaier in de gelijkenis ervaart, hebben
consequenties die uit deze resultaten voortvloeien. Dat wordt duidelijk uit
het allegorische beeld van de drie volgende gelijkenissen in Mattheüs 13. Als
ze in hun geheel worden bestudeerd, wordt duidelijk dat ze complementair zijn,
wat niet zo opvalt als ze apart worden gelezen. Met dit in ons achterhoofd
komen we bij de volgende gelijkenis van de serie, die van de tarwe en het
onkruid. Opnieuw is het onderwerp het zaaien van bepaalde zaden, maar deze
keer vertegenwoordigt het zaad het koninkrijk zelf. In Jezus’ eigen
interpretatie van de gelijkenis die Hij aan de discipelen geeft (v.36-43),
vergelijkt Hij het goede zaad met de kinderen van Israël, die toentertijd
waren verstrooid over de wereld die ‘de akker’ genoemd wordt in de
analogie. Het onkruid, zegt Hij, zijn de kinderen van de boze.
Het
is misschien goed te weten dat het hier bedoelde onkruid een plant is die
sterk lijkt op die van de tarwe. Ze zijn niet van elkaar te onderscheiden
totdat de graankorrel begint te rijpen. Dan pas gaat de aar van het onkruid
zich onderscheiden, want hij is langer dan de goudgekleurde tarweaar en
eenmaal volgroeid wordt hij zwart.
Satan
is de bewerker van verwarring en door de eeuwen heen hebben zijn discipelen
zich grote moeite getroost het koninkrijk van binnenuit te ondermijnen. Ze
zijn hierin behoorlijk succesvol geweest, zowel in het geestelijke als
politieke leven van de natie. Zozeer zelfs dat het christelijke geloof meer is
verdeeld en zijn leerstellingen meer vervalst dan ooit tevoren. Onze wetten en
rechtskundige kaders zijn steeds verder afgeweken van het Goddelijk wetboek,
zoals vastgelegd in de Schrift. Met zulk afwijkend leiderschap door kerk en
staat gebeurt er veel in onze gedachten en daden wat krenkend is voor de
Almachtige. In de gelijkenis wordt ons verteld dat in de tijd van de oogst de
tarwe en het onkruid zullen worden gescheiden, want ze zullen dan goed uit
elkaar te houden zijn. Het onkruid vertegenwoordigt alles wat krenkend is voor
God en zijn engelen zullen uitgezonden worden om het te scheiden van de tarwe
en het te vernietigen. Dit moet een waarschuwing zijn voor allen in het
koninkrijk wier daden kwaad zijn en tegen de wetten van God en een troost voor
allen die vasthouden aan het geloof en hun vertrouwen stellen in hun Verlosser
en Heer. De oogst zal dus een tijd worden van zuivering. De boodschap van deze
gelijkenis is een beschrijving van de uitzichtloze toestand die duidelijk zal
worden in het koninkrijk van de laatste dagen en de oplossing van de zaaier is
het onvermijdelijke gevolg ervan.
De
complementaire aard van deze gelijkenissen wordt steeds duidelijker. Het
gezaaide zaad is het nieuws van het verloste koninkrijk dat naar onze streken
werd gebracht; de boodschap kreeg zijn grootste bekendheid in de tijd van de
Reformatie; de later verkondigde identiteit van het koninkrijk werd kennelijk
niet overal aangenomen. De betekenis en het belang van deze waarheden over het
koninkrijk zijn dan ook nooit volledig onderkend. Het resultaat hiervan is dat
de door de mens gemaakte wetten het individuele en nationale leven hebben
beheerst, met als gevolg alle moeilijkheden waar wij ons in deze laatste dagen
in bevinden. De geboden van God waar onze wetten op zijn gebaseerd zijn
grotendeels opzij geschoven door de huidige wetgeving. Eveneens is de
geestelijke wedergeboorte die tot stand kwam door de Reformatie grotendeels
verdwenen door modernistische theologie. Het verlaten van onze door God
gegeven principes is een geleidelijk voortschrijdend eroderend proces geweest,
dat alle aspecten van ons leven heeft aangetast. Daardoor is er ruimte gekomen
voor bevordering van een multi-raciale maatschappij, met zijn vreemde culturen
en religies, die vijandig staat tegenover de God van Israël.
Onze
nationale eigenschap van fair play en tolerantie is zo goed als ver-dwenen
door de geleidelijke afbraak van onze christelijke levenswijze. Door het
verkeerde soort leiderschap en onderwijs wat in alle lagen van de bevolking
zijn uitwerking heeft, groeit het onkruid onopgemerkt, behalve door de
enkeling. Deze situatie brengt ons bij de gelijkenis van het mosterdzaad,
waarin naar deze situatie wordt verwezen. Dit zaad is niet hetzelfde als het
bekende kruid dat men toevoegt aan een maaltijd. De Schrift verwijst naar een
zaad dat zal uitgroeien tot een grote boom met vele takken waarin vogels
kunnen nestelen. De gelijkenis is meesterlijk in zijn beschrijving van het
koninkrijk dat groeide uit dat ene zaad, Abraham. Uit dat zaad is de volwassen
boom gegroeid die het huidige koninkrijk voorstelt. De huisvesting van de
vogels in de takken is vervuld. In eerste instantie ondervonden mensen uit
vele delen van de wereld de voordelen van onze christelijke principes en
parlementaire bestuursvorm. Velen van hen hebben wetenschappelijk onderwijs
genoten aan onze universiteiten en hogescholen en zijn naar hun land
teruggekeerd met de opgedane kennis en deskundigheid.
In
de laatste jaren echter hebben talloze vreemdelingen een onderkomen gevonden
in het koninkrijk, en maakten het tot hun thuis. Zij brachten hun eigen
cultuur en religie mee, waar zij zich aan vasthielden. Dit werd toegestaan,
zelfs aangemoedigd door onze autoriteiten. Verbieden van deze praktijken zou
immers ontkenning betekenen van hun recht op vrijheid van denken en handelen.
Zo groot is de afval van het huidige religieuze denken, dat het geloof eens
aan de heiligen gebracht is weggespoeld in een zee van vage, onduidelijke
goeddoenerij. De gedachte dat onze regering de verplichting heeft ons
christelijk erfgoed te beschermen, schijnt losgelaten te zijn en de suggestie
dat de vreemdelingen, die zich in ons midden willen vestigen, verplichtingen
hebben met betrekking tot de wetten en religie van het koninkrijk, wordt niet
eens in overweging genomen. Het koninkrijk was bedoeld een voorbeeld te zijn
voor de rest van de mensheid, een invloed ten goede en hoop in een wereld
geteisterd door de kwaal van zonde en dood, die het domein van de mens in de
tuin van Eden was binnengedrongen. Maar wat voor invloed heeft het koninkrijk
in zijn huidige staat op de wereld? Zijn andere naties onder de indruk door
wat zij zien gebeuren? Kunnen zij er baat bij hebben door ons voorbeeld te
volgen?
De
volgende gelijkenis, de vierde en laatste van de groep die Jezus de menigte
voorhield, geeft antwoord op deze vragen. Hierin vergelijkt onze Heer het
koninkrijk met een zuurdesem, dat door een vrouw in drie maten meel werd
verborgen, totdat het geheel doorzuurd was. De woorden van deze gelijkenis
leiden onze gedachten naar een belangrijke plaats in de Schrift, Genesis 18,
waar God met twee metgezellen aan Abraham verschijnt en hem de geboorte van
een zoon bij zijn vrouw Sara aanzegt. Abraham herkende waarschijnlijk de
aanwezigheid van God, want hij sprak Hem aan als ‘Mijn Heer’. Hij biedt de
drie onderdak aan en vraagt Sara ...drie maten fijn meel... te halen en er
koeken van te bakken. De woorden van de gelijkenis zijn niet zomaar uit de
lucht gegrepen, maar duiden het koninkrijk aan in die duidelijke verwijzing
naar de oprichting in wat zou zijn de wonderbaarlijke geboorte van Isaac bij
ouders die de vruchtbare leeftijd allang achter zich hadden. De verklaring dat
het zuurdesem was ‘verborgen’ is niet zonder betekenis, want het
koninkrijk is in het algemeen voor de wereld verborgen, geheel in
overeenstemming met de bedoelingen van God. Zoals bekend is gist een stof
noodzakelijk om deeg zo te transformeren, dat er een brood van gebakken kan
worden. Deze eigenschap maakt het heel geschikt om in verschillende bijbelse
vergelijkingen te worden gebruikt. Bijbelexegeten zijn het erover eens dat
gist ook wordt geassocieerd met kwade zaken. Paulus, in zijn eerste brief aan
de Corinthiërs (hfst.5) kapittelt hen in verband met de morele verdorvenheid
die hij bij hen had aangetroffen en vergelijkt het met zuurdeeg, want als het
niet werd gecorrigeerd en de schuldige gestraft, zou het kwaad zich
verspreiden.
In
Mattheüs 16 geeft Jezus zijn discipelen een waarschuwing: “Ziet toe en
wacht u voor de zuurdesem der Farizeeën en Sadduceeën”. De discipelen
dachten dat Jezus verwees naar het brood dat zij vergeten hadden mee te nemen
en toen Hij ontdekte dat zij Hem verkeerd begrepen, legde Hij hun zijn
bedoeling uit. “Toen zagen zij in, dat hij hun niet gezegd had zich te
wachten voor het zuurdesem der broden, maar voor de leer der Farizeeën en
Sadduceeën”. Deze valse leer werd door Jezus veroordeeld, want als
zuurdesem verspreidde het zich onder de mensen. Als we nu naar het koninkrijk
van vandaag kijken in zijn staat van afval en onge-rechtigheid, dan mag het
duidelijk zijn dat de invloed op de rest van de wereld navenant is. Er zal
geen verbetering optreden totdat het is gereinigd van al die dingen die God
krenken en als het komt onder de rechtvaardige regering van zijn zoon, Jezus
Christus.
Goddelijke
tegenmaatregelen
De
volgende drie gelijkenissen die we aantreffen lijken nogal verschillend van
onderwerp, maar als we goed lezen komen we tot de ontdekking dat ze sterke
verwantschap hebben met de voorafgaande drie. De eerste in vers 44 is de
gelijkenis van “een schat, verborgen in een akker, die een mens ontdekte en
verborg (covered it over-FF) en in zijn blijdschap erover gaat hij heen
en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker”. Weer betekent de akker
hier de wereld. De schat is het koninkrijk, een beschrijving gebruikt voor
Israël in het boek Exodus 19 als God zegt: “...dan zult gij uit alle volken
Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij” (Ye shall be a
peculiar treasure unto Me-JV). De harmonie van de Schrift is hier weer
zichtbaar in Gods stelselmatig gebruik van woorden of zinnen die de
verschillende delen verbinden. Het is alsof de Schriften hun eigen ingebouwde
verwijzingssysteem hebben, waardoor de waarheid bevestigd wordt. Toen onze
Heer werd geboren kwam Hij in de wereld, de akker. Wetend dat de schat in deze
akker verborgen was, kocht Hij hem en betaalde er de hoogste prijs voor, zijn
eigen leven! Het korte verhaal in de gelijkenis was van groot profetisch
belang op dat moment. Het hele doel van Jezus’ missie werd in deze enkele
woorden verklaard. Zijn dood betekende dat de zonden van Israël zouden worden
verborgen of bedekt door zijn op Golgotha vergoten bloed en het betekende ook
dat de vloek van zonde en dood van de gehele mensheid zou worden weggedaan.
Daarom verwees deze gelijkenis indertijd naar een mijlpaal of keerpunt in de
geschiedenis van het koninkrijk en van de mensheid in het algemeen. Hij
verwees naar de komende vervulling van de belofte aan Abraham, dat door zijn
zaad alle families op de aarde gezegend zouden zijn. Een andere mijlpaal in de
geschiedenis van het koninkrijk wordt aangegeven in de volgende gelijkenis.
Jezus zegt: “...het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koopman, die
schone parelen zocht. Toen hij een kostbare parel gevonden had, ging hij heen
en verkocht al wat hij had, en kocht die”. Het koninkrijk wordt vergeleken
met een koopman, dus het koninkrijk is niet de parel van grote waarde, noch is
onze Heer die parel want Hij kan niet gekocht worden; Hij gaf zichzelf
vrijwillig voor het koninkrijk en voor de ganse schepping.
Verder
zoekend naar belangrijke gebeurtenissen in de geschiedenis van het koninkrijk
moeten we vooruit kijken in de tijd na het leven van Jezus. De Britse eilanden
en de kustlanden werden bevolkt door nakomelingen van de verstrooide stammen,
maar we weten inmiddels dat het nog een duizend jaar duurde voordat de laatste
groepen arriveerden en zich hier vestigden. Ofschoon dit de voltooiing
markeert van de hervestiging van het verstrooide volk Israël op ‘de
bestelde plaats’, het was niet een nieuwe of bijzondere ontwikkeling. Wat
later wel nieuw en bijzonder was in de geschiedenis van het koninkrijk was de
Reformatie. Voorafgaand moest ons volk nog door een periode heen die bekend
staat als de ‘donkere Middeleeuwen’, toen het geestelijk leven van de
mensen nog onder controle stond van de kerk van Rome. Het in druk uitbrengen
van het Woord van God in de taal van het gewone volk en de verkondiging van
het hervormde geloof was een gebeurtenis die nieuw licht verspreidde in een
duister land. Zonder twijfel was dit de parel van grote waarde, het Woord van
God. Niet alleen in financiële termen, ofschoon het toen net als nu voor geld
gekocht kon worden, maar zoals de gelijkenis zegt, de hoogste prijs die soms
moest worden betaald was het leven zelf. Zo groot was de waarde die mannen en
vrouwen hechtten aan de Schriften in die vroege dagen van de protestante kerk,
want de macht van Rome was toen nog niet gebroken en het martelaarschap was
geen zeldzame gebeurtenis. De christelijke principes waarop ons nationale
leven is gebaseerd, zijn principes waar wij in het verleden voor hebben
gevochten, als zij door vreemde machten werden bedreigd. Zo hebben wij blijk
gegeven dat wij steeds waarde hechtten aan deze parel en terecht. Maar hoe is
het in deze dagen gesteld? Klaarblijkelijk is dat krachtige geloof veranderd,
zoals de derde gelijkenis van deze groep aangeeft: “Evenzo is het Koninkrijk
der hemelen gelijk aan een sleepnet, neergelaten in de zee, dat allerlei
bijeenbrengt. Wanneer het vol is, haalt men het op de oever, en zet zich neer
en verzamelt het goede in vaten, doch het ondeugdelijke werpt men weg. Zo zal
het gaan bij de voleinding der wereld. De engelen zullen uitgaan om de bozen
uit het midden der rechtvaardigen af te zonderen...”.
Met
de ‘zee’ uit de gelijkenis, die analoog is aan de volken van de wereld,
schildert het verhaal een duidelijk en nauwkeurig beeld van het koninkrijk. In
het bijzonder in de laatste tientallen jaren is er een geleidelijke instroom
geweest van vreemde nationaliteiten, die hun verschillende religies en
culturen met zich meebrachten en bijdroegen aan de groeiende toestand van
on-gerechtigheid. In deze analyse zal de duidelijke parallel met de gelijkenis
van het mosterdzaad, dat tot een boom uitgroeit waar vogels van verschillende
pluimage nestelen, herkenbaar zijn. Als het net vol is, zal er een grote
schifting plaatsvinden. Dit, zegt Jezus, is de tijd van het einde, als de
engelen komen om de bozen uit het midden van de rechtvaardigen af te zonderen.
Ook hier is weer een overeenkomstige situatie met de gelijkenis van de tarwe
en het onkruid, waar het ook de engelen zijn die worden uitgezonden om bij de
oogst de slechte halmen van de goede te scheiden.
De
toenemende morele en geestelijke degeneratie van het koninkrijk in de huidige
tijd verwijst naar het volgroeien van het onkruid en de volheid van het net.
We wachten dus nu met spanning het selectieproces af. Dit is niet iets wat wij
zelf kunnen doen, want dat gaat menselijke bevoegdheid te boven. Alleen
Goddelijke macht kan zo’n taak, waarin werkelijk recht moet en zal worden
gedaan, volbrengen. Dit moet nog plaatsvinden en het zal de laatste mijlpaal
zijn die het einde en tevens het begin markeert van een nieuw tijdperk van het
leven in het koninkrijk. Niet langer onder menselijk bestuur, beïnvloed door
Satan, maar onder het bestuur van Jezus Christus, beïnvloed door God en wij
hopen en bidden dat dat gauw zal gebeuren.
Met
deze gelijkenis komen wij aan het einde van de bijzondere boodschap van onze
Heer, niettegenstaande de ongebruikelijke vorm waarin hij is gegoten. In zijn
geheel genomen kan hij als volgt samengevat worden: In de eerste gelijkenis is
God de zaaier die zijn nieuws betreffende zijn koninkrijk bekendmaakt en
verspreidt, maar dit nieuws wordt in het algemeen niet goed ontvangen door de
mensen. Het verschil in respons brengt daarom onvermijdelijk consequenties met
zich mee, die zijn beschreven in de volgende drie gelijkenissen. Deze leggen
de nadruk op het menselijk element van het koninkrijk, gezien het effect dat
ze hebben op haar toekomstige ontwikkeling. Dit wordt gevolgd door nog eens
drie gelijkenissen waarvan de nadruk ligt op het Goddelijk element, dat Gods
verdere plannen uitbeeldt om de effecten van de verschillende reacties van de
mensen op passende wijze te beantwoorden. Ten eerste is daar de bedekking van
het koninkrijk onder het op Golgotha gestorte bloed van de verlossing, dan de
infusie van nieuw geestelijk leven in het koninkrijk door de Reformatie,
genoeg om het te ondersteunen tot de tijd van de oogst, de tijd van reiniging
en de terugkeer van onze Heer in macht en glorie.
Als
de gelijkenissen zo als één geheel worden beschouwd, komt er een bepaalde
ontwikkeling in beeld, die niet duidelijk zou worden als de gelijkenissen
onafhankelijk van elkaar worden gelezen. Aan het eind van zijn lering vraagt
Jezus aan de discipelen: “Hebt gij dit alles verstaan?” De enige
geschriften die zij in die tijd tot hun beschikking hadden, waren die van het
Oude Testament. Ze bevatten niet alleen de geschiedenis van het volk Israël,
maar de profetische gedeelten betroffen hun toekomstige bestemming en die
werden toen beter door de discipelen begrepen dan door onze zeer geleerde
theologen van vandaag. Hun erkenning van Jezus als de Zoon van God en de rol
die Hij daarin zou spelen, in overeenstemming met de profetie, was hun bekend
en werd begrepen. Zij zouden ook deze gelijkenissen zien als delen van de
gehele boodschap. Daarom konden zij naar waarheid de vraag van Jezus
bevestigend beantwoorden.
Het
Nieuwe en het Oude van gelijk gewicht
Dan
vertelt Hij hun nog een korte gelijkenis, de laatste van de serie, die klinkt
als de afsluitende opmerkingen aan het eind van een verhaal: “Daarom is
iedere schriftgeleerde, die een discipel geworden is van het Koninkrijk der
hemelen, gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn voorraad nieuwe en oude
dingen te voorschijn brengt”. Hier zien wij opnieuw de verbinding tussen
koninkrijk en schat. De schat van een heer des huizes zou zijn meest
waardevolle bezit zijn, wat beslist het Woord van God was met betrekking tot
het koninkrijk. Dat wat nieuw was in het koninkrijk in die dagen was zonder
twijfel het Nieuwe Verbond van genade door geloof, bewerkstelligd door het
offer van Jezus Christus; het Nieuwe Verbond waarover de profeet Jeremia al
had gesproken (hfst.31). Redding door geloof in de verrezen Heer en de belofte
van eeuwig leven voor hen die dat aannemen, was nieuw. Dat wat oud was en toch
van oneindige waarde en deel van de schat, zijn de duurzame verbonden en al de
beloften aan de aartsvaders gedaan.
De
schriftgeleerde die inzicht heeft gekregen in het koninkrijk der hemelen,
houdt niet alleen rekening met de dingen die nieuw zijn, of alleen met de
dingen die oud zijn; ze hebben een onderlinge samenhang en kunnen niet
rechtens van elkaar worden gescheiden. Ze maken deel uit van die grote schat,
het complete evangelie van het koninkrijk.
![]()
Een
Studie in Geschiedenis en Aardrijkskunde
gedeeltelijk
met een lichte toets
Zo
ongeveer 30 jaar geleden maakte ik kennis met de theorie van Albert Delahaye,
archivaris van verschillende Brabantse gemeenten en daar vóór
wetenschappelijk ambtenaar in Nijmegen. Bij zijn werk dáár stiet hij op
zaken, waarvan hij dacht: dat klopt niet!
De
grote lijn van zijn theorie is dan het vrijwel bevolkingsleeg zijn van grofweg
de helft van ons land gedurende zo’n zes eeuwen in het eerste millennium. In
het betrokken gebied was niet veel anders dan zompig land, gedeeltelijk bij eb
droogvallende gronden, kreken, poelen en moeras. Dijken moesten nog
uitgevonden worden. De Romeinen zijn aantoonbaar in dit gebied geweest tot op
de hoogte van Katwijk ongeveer. Na ± 270 trokken zij zich terug op Nijmegen
(heuvelachtig), omdat zij natte voeten kregen. Het zeeniveau ging kennelijk
omhoog, hetgeen de nodige gevolgen had.
Feitelijk
was in grote lijnen de Noordzeekust, mede historisch gezien, vanaf Calais
noordwaarts tot ongeveer halfweg Jutland een lang uitgestrekt waddengebied,
“wetland”. Daaraan is door de natuurlijke werking van de zee en door
menselijk ingrijpen in de loop der tijden gesleuteld. In zijn geheel, met
plaatselijk grote verschillen, oorspronkelijk één groot natuurgebied.
Mochten er in die tijd hier en daar wat bewoonbare droogblijvende gebieden
zijn geweest – Gaasterland en de Utrechtse Heuvelrug bij voorbeeld – dan
leverde dat toch nog geen economisch achterland voor steden als Utrecht.
Delahaye moest derhalve aan Willebrord ergens anders een werkterrein
aanbieden.
Vanaf
ongeveer 900 vallen er gronden droog en komt er, grotendeels door kloosters
geleid, een migratie richting noorden op gang. Vanaf het noord-westen van
Frankrijk komt die emigratie, daar was dan kennelijk toch een zekere
bevolkingsdruk. De bekende historie van Willebrord en Bonifatius enz. heeft
zich dáár afgespeeld, maar werd als het ware mee geëxporteerd. De
aanwijzingen zijn in het gebied te vinden in de archieven en in verdere
historische bronnen tot bij de Romeinen, Tacitus - Caesar - Strabo - Plinius -
Ptolomeus, deze dan speciaal betreffende de vroegste geschiedenis van deze
hoek van Europa. Archiefstukken in het Latijn en wat later ook in het
Oud-Nederlands.
Delahaye
ontdekte dus Friezen, Franken en Saksen, waar zij volgens de officiële
historici niet konden zijn. Hij poogde de puzzel op te lossen en vervulde
hiermee een voortrekkersrol in de herziening van de historische ontwikkelingen
van een belangrijk deel van Noord-West-Europa. Er wordt nu door geestverwanten
verder aan gewerkt en niet alleen in het Nederlandse taalgebied; Duitsers en
Fransen doen ook mee.
Eigenlijk
is het maar een klein deel van Europa waarop Delahaye zijn onderzoekingen
toespitst. Verder was Europa benoorden de Alpen tot in het begin van het
laatste millennium voor Christus zeer dun bevolkt. De omstandigheden waren er
dan ook naar. De Scandinavische gletsjers waren wel weg, maar het puin
daarvan, en dat van het staartje van de laatste ijstijd, werd maar langzaam
door de natuur overwonnen. De Noordzee, drooggevallen door lager zeeniveau
en door puin zoals in de vorige zin geduid, was een tijdlang een landbrug
tussen Engeland en het vasteland. Deze verbinding werd verbroken in het tweede
millennium v.Chr. door weer stijgend zeeniveau en het bijgevolg wegspoelen van
puin, waardoor de eilanden zich aansloten aan het algemene Noord-Europese
milieu-gemiddelde.
In
Zuid-Europa was de temperatuur wat aangenamer en daar ontwikkelden zich dan de
eerste Europese naties met een geschreven geschiedenis van betekenis. Daar had
men echter weer meer te kampen met natuurgeweld in de vorm van grootschalige
aardbevingen en de daarbij behorende vloedgolven, alsmede ontploffende
vulkanen. Meerdere landstreken rondom de Middellandse Zee waren erbij
betrokken en in de Egyptische geschiedenis vonden het Oude Rijk en het
Middenrijk bij zulke gelegenheden hun einde. Op Kreta kwam de pre-Helleense
beschaving tot een einde en de paleizen van Minos werden verwoest. In de hele
regio waren door deze geologische rampen herhaaldelijk grote verwarring –
losgeslagen, vluchtende volksgroepen – tot stilstand gekomen economieën –
ineengezakte landsbesturen.
Van
die migrerende volken in Zuid-Europa een enkel voorbeeld. Bekend zijn de
Etrusken, afkomstig uit het westen van Klein-Azië. Zij vestigden zich in een
gebied ten noorden van Rome, nu bekend als Toscane. De Romeinen hebben hen
politiek overvleugeld, maar hun inbreng in Italië was groot. Van hun taal is
niet veel bekend; zij werden geromaniseerd.. Het Latijn van Rome en Latium is
overigens ook niet zo oorspronkelijk Italisch. Toscane – Florence (Firenze),
enfin er zou het beste en zuiverste Italiaans worden gesproken. Dante,
Petrarca, Leonardo da Vinci. Zonder de Etrusken zou Italië minder inhoud
gehad hebben.
Dan
van een migrerend volk in noordelijk Europa ook een voorbeeld: de Goten
(Germaans = Israël?). Ik volg hen vanuit Zuid-Zweden richting Krim en ze
kwamen vandaar terecht in Spanje en Zuid-Frankrijk en een ander deel in Italië:
West-Goten en Oost-Goten. Op hun eindbestemming versmolten zij met de
plaatselijke bevolking. Dat was overigens een hele zwerftocht door Europa! Het
traceren van zulke tochten is uiteraard voor historici niet altijd zo
eenvoudig; foutjes zijn helaas onvermijdelijk. Was dit dan een Israël-injectie
in Zuid-Europa?
Vooral
vanuit Azië kwamen regelmatig vestigingen in Europa.. Meestal was er dan bij
die migratie van een of meer “tussenstations” sprake. Zo’n tijdelijke
vestigingsplaats kon wel enkele generaties meegaan. Vestigin-gen van
onderscheiden volkjes schoven over elkaar heen of vervingen een omgekomen
volkje. Van dit laatste, het vervangen van een omgekomen, of zomaar verdwenen
volkje, is Kreta een goed voorbeeld. Toen de voor-Helleense cultuur van Minos
bij een natuurramp vernietigd was, kwam hervestiging vanaf het vasteland. Ook
die ging ten onder en weer kwam hervestiging; vanwaar was niet duidelijk.
In
het oostelijk deel van het Middellandse Zee-bekken begon in het halfduister
van het tweede millennium v.Chr. de geschiedenis van het oude Griekenland.
Meerdere volkjes vestigden zich aldaar en versmolten er tot “Hellas”.
Naast de volkse bagage, die ze meebrachten, was er al spoedig veel
wisselwerking en strijd met de hele regio tot in Egypte en later ook Perzië.
Aldus ontstond het eerste filosofische laboratorium van Europa. Men spreekt er
nòg over!
We
zijn wel erg doende met al die volkjes, maar zo bijzonder was dat eeuwenlang
niet en van een vaste woonplaats was dikwijls geen sprake. Als de oogst
tegenviel, als de bouwgrond verzilt raakte door eenzijdige bevloeiing, als
droogte toesloeg of een ziekte een volksgroep ruïneerde, stierf men uit of
trok weg. Een sterk volk verdrong een zwak volk of roeide het uit; er zwierf
wat rond!
Samenvattend
kom ik tot de conclusie, dat het zwerven van stammen en volken tot op zekere
hoogte eeuwenlang een normale zaak was. Tijden van betrekkelijke rust
wisselden met verwarring en dat hoefde niet een heel continent te betreffen.
Daarbij is Europa gewoon een deel van het Euraziatisch continent, maar het was
wel een vangnet.
Uit
Azië kwam het een en ander, maar uit welk deel was nogal verschillend in de
tijd. Ik wil nu de regio van Palestina tot en met Perzië onder de loupe
nemen. Het land van Saddam Hoessein ligt er middenin: het oude
Tweestromenland.
Ik
heb vernomen van theorieën, die in het hele gebied, maar als kern toch de
Eufraat en de Tigris, situeren de ‘uitvinding’ van landbouw en veeteelt.
Dus niet heen en weer trekken van nomaden-volken met hun kudden, maar zorg
besteden aan het land en een vaste productie van voedingsmiddelen. De datering
van het begin van deze ontwikkeling is on-geveer 8000 jaar geleden.
Op
de grondslag van vaste voedselproductie en alle aanverwante activiteiten in de
betreffende samenlevingen, zoals ambachten, waterbeheersing, opkomende handel,
bestuurlijke functies en de daaruit voortvloeiende maatschappelijke ordening,
hoe dan ook, bloeiden in de loop van jaren de culturen van Babylon enz. op. We
raken hier aan de wortels van onze beschaving en dat is belangrijk, maar
voorlopig niet meer dan dit.
We
verkenden in enige korte schetsen de geboortestreek van de antieke
beschavingen in het Midden-Oosten. Archeologen en verdere onderzoekers
bestrijken met hun studies een tijdperk van zeker 4000 jaar. Zo lang bestaat
Europa nauwelijks als Europa (inclusief de ontstaansgeschiedenis van
Griekenland). In dit gebied van de oude beschavingen leeft ook Abram, door de
Heer van het Al uitverkoren te worden tot de stamvader van een speciaal te
formeren volk “Hem ten dienste”. Uit het “Ur der Chaldeeën”
(Gen.11:31) komt hij en moet daar weg omdat, ondanks alle culturele en andere
verworvenheden, de landen daar totaal ongeschikt zijn voor Gods plan met Abram.
Zijn vrouw heette Sarai en wordt de verkozen stammoeder. Beiden zullen in hun
verbond met God worden tot stamouders van vele volkeren en koningen zullen uit
hen voortkomen (Gen. 17:4-6 en 16). Hun namen zullen voortaan Abraham en Sara
zijn. Zij worden met hun hele hebben en houden op pad gestuurd naar “het
land dat Ik u wijzen zal” (Gen. 12:1).
Dat
land (2 Sam. 7:10) wordt het thuisland van zijn nazaten, zij het met een
onderbreking van een kleine 3000 jaar.
De
onderbreking in de bewoning van het eerste (en het eigenlijke, definitieve
thuisland) is in een andere plaats, respectievelijk plaatsen voorzien en het
zou veel tijd kosten vóór allen, of de meesten, op de tijdelijke locaties
verzameld zouden zijn. Deze tijdelijke, voor Israël bestelde plaats, een
tijdelijk thuisland, de plaats waar Israël in het laatste der dagen
betrekkelijk veilig zal zijn, wordt ook wel genoemd “binnenkamers”, waarin
Israël zich moet terugtrekken als de laatste stormen over de wereld razen (Jes.
26:20). Ik wijs u op duidelijk aan te tonen ruzies (zachtjes gezegd) van de
vele groepen uit Israël vóór iedereen zijn plaatsje had. Dat is overigens
een heel natuurlijk verschijnsel en wordt ook wel aan-geduid als de
“pikorde”. Het is nog maar kort zo, dat oorlog tussen Israël-volken in
Europa eigenlijk niet meer bestaand is, maar de ‘natuurlijke’ toestand is
anders. En wat hebben we geknokt en er de vroomste argumenten bijgehaald! In
Oudtestamentische tijd was het niet echt anders. Er was hier in Europa, en na
±1500 ook elders in de wereld tussen dezelfde broeders eigenlijk alleen maar
sprake van schaalvergroting. En had men zelf niet genoeg soldaten, maar wel
geld, dan huurde men soldaten, jon-gens uit arme streken, waar niets te
verdienen viel. Zo is onze “tachtigjarige oorlog” hoofdzakelijk
uitgevochten met Schotse, Duitse en Zwitserse huurlingen; ook officieren
werden geworven.
Nu
dan terug naar Abraham en zijn vrouw Sara. Het bekende verhaal dat zij
kennelijk geen kinderen kon krijgen en dat, op initiatief van Sara, haar
slavin Hagar optreedt als plaatsvervangster. Heel vroeger vond ik dat wel
vreemd en het heeft grote gevolgen tot in onze dagen. In theorie – andere
oorzaken laat ik nu even liggen – zitten we er nu mee. Zie ik op de
frontpagina van een buitenlands tijdschrift: “Abraham de vader van drie
geloven”. Op zich zit daar wel wat in, maar in engere zin is het niet
bijbels. Ismaël wordt ook tot een groot volk, maar de rijkwijdte daarvan is
minder, ziet u zelf maar in Gen.16:12. Bovendien zijn er wel veel volgelin-gen
van een geloof, ontstaan in Arabische kringen, maar die zijn nog geen
afstammelingen van Abraham-Ismaël. En dan praten we nog niet over het
percentage afstammelingen, hetgeen ook geldt voor de lijn Abraham-Izaäk.
Voor
deze lijn geldt voor de niet-directe afstammeling de clausule bij Rom.
11:17-24, hetgeen echter ook weer geldt voor iederéén, die aan de
voorwaarden, gesteld in Romeinen voldoet.
Voor
Abrahams zoon Izaäk gaat de oudste knecht van Abraham in diens opdracht een
vrouw halen. Tja, zo af en toe denk ik wel eens iets in de trant van “‘s
lands wijs, ‘s lands eer”. Ik noteer dat die knecht, als hij constateert
de juiste vrouw, ingevolge zijn opdracht, gevonden te hebben, haar een ring
aan haar neus deed.! Enfin, volgens mij is dat toch een goed huwelijk
geworden.
Dan
zijn we al gauw een generatie verder en zijn daar Jacob en Ezau. Dat met die
twee laat ik nu maar zo en ga verder met de zonen van Jacob, want daar draait
het verder om. Jacob krijgt 12 zonen en één (?) dochter. De finesses laat ik
nu voor wat ze zijn. Eén van de zonen, Jozef, brengt het tot onderkoning van
Egypte en daar is de familie goed mee. Jozef was als plaatsvervanger van de
Farao een manager eerste klas en runde Egypte als een soort bedrijf, waarbij
goed op de centjes gelet werd. Op basis van de dromen van de Farao had Jozef
een goede analyse gemaakt van de economische situatie van Egypte en op tijd
passende maatregelen getroffen om een komende hongersnood het hoofd te kunnen
bieden. Toen de hongersnood zich aandiende, verspreidde zich al gauw het nieuwtje,
dat in Egypte voor goed geld nog wel wat te krijgen was. Zo stuurde Jacob zijn
zonen, behalve Benjamin en uiteraard Jozef, op pad naar dat land. Daar werden
ze door de hoogste chef ontvangen, hun eigen broer, die ze wel heel beroerd
behandeld hadden, maar die ze niet herkenden vanwege de ambtskleding. Zo had
Jozef toch de gelegenheid ze als straf even flink in de rats te laten zitten
bij controle van hun bagage.
(wordt
vervolgd)
J.C.
Koekebacker
![]()
“Ik
ben immers met u”
Toen
de apostel Petrus zijn befaamde Pinksterrede uitsprak, richtte hij zich tot ‘Joden
en allen, die te Jeruzalem woonachtig zijn’. Een samenvatting van deze
rede vinden wij in Handelingen 2.
Even
later spreekt hij zijn toehoorders aan met ‘mannen van Israël’ en ‘het
ganse huis Israël’. Dat deed hij niet om het gehoor te strelen van
allen die naar hem luisterden. Petrus wist tot wie hij sprak en waarover:
tot
Israël, de Bruid over de Bruidegom Jezus Christus,
tot
Israël, het Koninkrijk over de Koning Jezus Christus,
tot
de Gemeente in Israël, over het Hoofd van die Gemeente, Jezus Christus.
Petrus
kende de geschiedenis. En die kende hij uit de Bijbel; voor hem dus – wat
wij nu noemen – het Oude Testament. Zonder de Bijbel is de geschiedenis een
blijvend raadsel. Maar door de Bijbel, door ons geloof heeft de geschiedenis
inhoud gekregen en kennen wij het doel. Voor wie aan die inhoud en dat doel
voorbij gaat, geldt: wie van de geschiedenis niets heeft geleerd, is gedoemd
die opnieuw te beleven. Of wellicht iets minder scherp, maar even waar: wie
van de geschiedenis heeft geleerd, is in staat de toekomst beter te begrijpen.
Buitengewoon belangrijk.
Nu
is het wel bekend, dat over de geschiedenis evenveel meningen zijn als over
het geloof, vooral als het gaat over de toekomst. Om een paar uitersten aan te
geven: de een zegt dat Christus spoedig komt, een ander meent dat het nog wel
een tijd zal duren, want er moet nog veel gebeuren.
Eén
ding is echter heel zeker: alle zekerheden worden of zijn weggenomen. Er gaat
geen dag voorbij of wij horen van rampen, moordaanslagen, epidemieën,
onenigheid tussen regeringsleiders. Om maar niet te spreken over de
economische situatie.
Kom,
niet al te somber. Een beetje optimistisch blijven! Laten wij eerlijk zijn,
voor optimisme is geen enkele grond, zeker niet voor het zogenaamde
vooruitgangs-optimisme, waarin de geleerden (valse profeten?) ons willen doen
geloven. Als wij alleen al letten op de mondiale milieuvervuiling
(natuurvernietiging), die apocalyptische vormen begint aan te nemen, kunnen
wij van het tegendeel overtuigd worden. Diezelfde geleerden willen ons ook het
beeld voorspellen van de omhooggeklommen superieure mens; de werkelijkheid is
daaraan volkomen tegengesteld.
Voor
optimisme mag dan geen reden zijn, wij behoeven toch ook niet al te somber te
zijn? Vrede, vrede en geen gevaar. De legers kunnen worden afgeschaft, als ...
>>
als wij de heren Bush, Chirac en Schröder maar te vriend houden,
>>
als wij de Paus maar niet voor het hoofd stoten,
>>
als wij ‘Brussel’ maar trouw volgen,
>>
als wij satan maar niet voor de voeten lopen.
En
juist deze laatste is het die nog steeds de macht in handen heeft. Nee, niet
met behulp van brandstapels of inquisitie. Dat heeft niet gewerkt. De
martelaren bleken het zaad van de kerk te zijn. Hij werkt nu veel subtieler.
De waarheid wordt uitgeschakeld door manipulatie (een fraai woord voor
hersenspoeling). En daarmee heeft iedereen te maken door krant, radio, T.V. en
niet te vergeten Internet. De waarheid wordt ontluisterd en de bedoeling is,
dat men er toe komt de waarheid te ontkennen en uiteindelijk tot de slotsom
komt, dat er geen waarheid meer is. En ten slotte wordt Hij, Die gezegd heeft “Ik
ben de waarheid” ontluisterd en ontkend. En met nadruk: wie ontkent,
vergeet en wie vergeet, raakt zijn geloof kwijt. En wie Jezus de Heer nog niet
helemaal heeft afgeschreven, heeft Hem losgemaakt van Israël, Zijn volk, Zijn
Koninkrijk.
De
toestand is alarmerend. ‘Vrede, vrede, terwijl er geen vrede is’
roept Jeremia uit (8:11). Israël in het Westen en Noord-Amerika wordt
overspoeld met culturen, die in strijd zijn met het christendom. Er zijn in
Engeland meer Islamieten dan leden van de Engelse Kerk. Over enkele tientallen
jaren zal de bevolking van de Verenigde Staten voor 50% ‘gekleurd’ zijn.
En Nederland wordt geadviseerd aan immigratie te gaan denken. Onze eigen
jongeren kunnen binnen afzienbare tijd de kosten van de vergrijzing niet meer
opbrengen en daarom moet een beroep worden gedaan op jongeren uit ... de derde
wereld. En wee degene, die zich daartegen verzet. Maar ach, tegen die tijd zal
mede door de invloed van de media de tegenstand zijn gebroken.
Het
zal echt zo’n vaart niet lopen. Bangmakerij! Ver van ons bed! Leest u Mattheüs
24 maar eens. Woorden van Jezus zelf en dan is het – daarop aansluitend –
verstandig ook Openbaring 13 op te slaan. Of wordt u daar onrustig van? Als
het dan maar heilige onrust is. Optimisme? Pessimisme? Nee, realisme. Luister
naar de vermaning, die Petrus uitspreekt aan het einde van zijn rede: ‘Laat
u behouden uit dit verkeerde geslacht’ (vs 40). En met ‘dit
verkeerde geslacht’ doelt hij op de tegenstanders van onze Here Jezus
Christus. Zij zijn er. Wij hoeven slechts om ons heen te zien. Onder andere de
media geven daarvan angstwekkende voorbeelden.
Even
terug in de geschiedenis, naar Mozes. Mozes, opgevoed in alle wijsheid van de
Egyptenaren, is gevlucht naar Midian, waar hij wordt opgeleid tot ...
schaapherder (Ex. 2). Ja, de koningszoon wordt schaapherder. Dan komt God naar
hem toe met de woorden: ‘Ik heb terdege gezien de ellende van Mijn volk .
. . daarom ben Ik nedergedaald om hen . . . te redden’ (Ex. 3: 7 &
8). Daarvoor wil God Mozes gaan
gebruiken. Maar deze vindt zich niet de juiste persoon, hij weet er geen raad
mee. Dan antwoordt God: ‘Ik ben immers met u’ (Ex. 3:12).
Weten
wij er geen raad mee? Zien wij het niet meer zitten? Evenals God naar Mozes
toekwam, is God in Christus naar ons toegekomen. Daarover sprak Petrus. Dat is
de kern van het evangelie. ‘Toen zij dat hoorden, werden zij diep in hun
hart getroffen’ (Hand. 2:37). Zo diep, dat zij ogenblikkelijk tot
handelen willen overgaan. ‘Wat moeten wij doen?’ En het antwoord: ‘Bekeert
u’. Dan zal het worden zoals Paulus het tegen de Efeziërs – ook Israëlieten
– zei: ‘Maar gij geheel anders; gij hebt Christus leren kennen’ (Ef.4:20).
Hoe de situatie in de wereld ook moge zijn, toch is er geen enkele reden de
moed te verliezen. Want er is hoop.
Als
wij onze ellende beseffen, als wij beseffen hoe ernstig wij tegen Hem hebben
gezondigd en dan tot Hem roepen, zal Hij horen en komen om ons, om Zijn volk
– en allen die Hem liefhebben – te verlossen van alle ongerechtigheden.
Zoals Hij ook eens Zijn volk uit Egypte heeft gered.
Dit
wordt prachtig verwoord door de dichter van Psalm 130:
“Een
bedevaartslied.
Uit
de diepten roep ik tot U, o HERE.
Here,
hoor naar mijn stem;
laten
uw oren opmerkende zijn
op
mijn luide smekingen.
Als
Gij, HERE, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt,
Here,
wie zal bestaan?
Maar
bij U is vergeving,
opdat
Gij gevreesd wordt.
Ik
verwacht de HERE,
mijn
ziel verwacht en ik hoop op zijn woord;
mijn
ziel wacht op de Here,
meer
dan wachters op de morgen,
wachters
op de morgen.
Israël
hope op de HERE,
want
bij de HERE is goedertierenheid,
bij
Hem is veel verlossing;
Hij
zelf zal Israël verlossen
van
al zijn ongerechtigheden.”
‘Ik
ben immers met u!’
Niet alleen vandaag, niet alleen morgen, maar altijd!
J.
Alberts
![]()
DE MOEDER VAN PAULUS
Romeinen 16
De
apostel Paulus zendt in zijn ‘Brief aan de Romeinen’ groeten aan een
aantal christenen en bloedverwanten in de stad Rome, inbegrepen “Rufus, de
uitverkorene in de Here, met zijn moeder, die ook voor mij een moeder is”
(“...and his mother and mine” KJV)(“...en syn mem en mines”
Fr.V)(“en zijn moeder en de mijne” St.V.).
Achter
deze eenvoudige boodschap ligt een overvloed aan familie-gebeurtenissen
verborgen die niet in de Schriften zijn opgenomen, maar gevonden in
historische bronnen en tradities, gepubliceerd door Edwin Wilmshurst in zijn
boek ‘St Paul in Britain’. Twee expedities naar Rome en een naar Jeruzalem
stelden deze schrijver in staat gegevens te verzamelen die van het grootste
belang zijn.
De
grootvader van Saul (Paulus) was een zeer vermogende Benjaminiet van Tarsus,
de hoofdstad van Cilicië, de bergachtige provincie van Klein-Azië in het
noorden van Syrië. Als Griekse Hebreeër had hij ‘voor een grote som
geld’ voor zichzelf en zijn familie het Romeinse staatsburgerschap gekocht
en een Romeinse naam toegevoegd aan zijn Hebreeuwse familienaam. Zijn zoon
Davidus voegde, zoals de gewoonte was, de Romeinse naam Appius Tullius toe,
waarschijnlijk door adoptie in het Tulliaanse geslacht. Hij nam dienst in het
Romeinse leger; werd bevorderd tot centurion en hij was het die tegen Jezus
zei: “Spreek slechts het woord en mijn knecht zal genezen worden”. Van hem
zeiden de Joden: “Hij heeft ons een synagoge gebouwd”. Een onverklaarbare
handeling, tenzij de geromaniseerde centurion belangstelling had voor de
verachte religie van de Joden. Zijn vrouw Praxedes liet hij achter als een
rijke, door een Romeinse opvoeding ontwikkelde weduwe. Pudentinus, een
Romeinse patriciër, die in Klein-Azië was gestationeerd als een hoge
ambtenaar in civiele dienst, trouwde de weduwe Praxedes. Dit was
waarschijnlijk een doorn in het oog van haar zoon Saul, een ultra-orthodoxe en
intolerante Farizeeër van de strengste Joodse sekte, die toen de Romeinse
naam Paulus kreeg. Pudentinus keerde, met zijn vrouw Praxedes, naar Italië
terug en hun enige kind, Rufus Pudens, werd daar geboren.
Saul,
die getraind was in de school van Gamaliël, de meest orthodoxe van Jeruzalem,
was een trotse en onbuigzame tegenstander van de sekte van de Nazareners. Zijn
sociale positie en invloed onder de Joden was zo groot dat de hogepriester hem
de opdracht toevertrouwde om met een militair escorte naar Damascus te gaan en
de ketterij in die stad uit te roeien.
Veel
vermogende Joden namen dienst in het Romeinse leger; het is dan ook niet
verwonderlijk dat Sauls vader, Davidus van Tarsus, was bestemd voor die
loopbaan door zijn vader, ofwel dat hij die volgde uit eigen vrije wil. Dat
hij al vroeg, toen nog centurion in Capernaüm, onder de indruk was van Jezus
als Messias en ook geliefd was bij diens landgenoten, de Joden, vanwege zijn
edelmoedigheid (‘hij heeft ons een synagoge gebouwd’), komt duidelijk uit
het bijbelverhaal naar voren. Het was een normale gang van zaken onder de
inwoners van Tarsus hun kinderen naar andere steden te sturen om te studeren,
speciaal naar Jeruzalem, waar zij zo talrijk waren dat ze een eigen synagoge
hadden, de ‘synagoge van de Ciliciërs’ genoemd. Naar Jeruzalem stuurde de
centurion zijn zoon Saul (Paulus) om ‘aan de voeten’ van de
voortreffelijke rabbi Gamaliël onderwezen te worden in de wetten van Mozes.
De nakomelingen van Benjamin gaven hun kinderen dikwijls de naam Saul, al
sedert de tijd van de eerste koning van Israël, die uit die stam was gekozen
en Paulus was een veel voorkomende naam bij de Romeinen.
Als
Davidus zijn zoon in Jeruzalem ontmoette, of als zij thuis in Tarsus met
verlof waren, werd hij niet moe over zijn geloof in Jezus van Naza-reth te
praten als de lang verwachte Messias, die zijn knecht op zo’n
wonderbaarlijke wijze had genezen. Zijn vrouw Praxedes vatte meteen de
waarheid en werd christen, maar haar zoon Saul wilde er niets van weten. Omdat
hij zich grondig de wetenschappen, gecultiveerd door de Joden, had eigen
gemaakt en van nature een trotse heethoofd was, werd hij ongeduldig als hij
oppositie ervaarde tegen de leerstellingen die hij in zich had opgenomen. Hij
vervloekte de christenen en ging ze vervolgen. Hadden de Farizeeërs niet
verklaard dat Jezus niet de Messias was? Wist hij zelf ook niet dat zijn volk
een koning verwachtte die zou komen in macht en majesteit?
Sauls
vader Davidus stierf en liet zijn zoon, niet overtuigd van de waarheid van deze
Nieuwe Weg, achter. Nu zijn vader er niet meer was zou hij met alle middelen die
hem ter beschikking stonden, proberen deze nieuwe religie te vernietigen. Zijn
vermogen en sociale status stelden hem in staat het Sanhedrin te benaderen met
voorstellen hieromtrent; van de hogepriester kreeg hij aanbevelingsbrieven om
naar Damascus te gaan en de christenen, die voor hun veiligheid daarheen waren
gevlucht, te elimineren. Saul kreeg een militair escorte mee en ging op weg voor
een lange reis. Terwijl hij voortreed, begon hij zich steeds minder enthousiast
te voelen over deze verraderlijke onderneming. Wat als zijn vader gelijk had?
Hij was er zo zeker van dat Jezus van Nazareth de Christus was en Saul had een
verandering in zijn vaders gedrag opgemerkt, een edelmoedige verdraagzaamheid en
een geest van liefde ten opzichte van degenen met wie hij in contact kwam. En
zijn lieve en vriendelijke moeder, was zij ook werkelijk misleid? Hij moest deze
ongemakkelijke gedachten wegstoppen; zijn geweten begon hem te hinderen; hij zou
spoedig Damascus bereiken en zich van deze christenen ontdoen, die durfden te
zeggen dat het Sanhedrin zich had vergist door Jezus af te wijzen. En weer begon
zijn geweten hem te plagen. De gebeurtenissen bij het laatste ziekbed van zijn
vader en de gepijnigde uitdrukking op zijn moeders gezicht door zijn houding ten
opzichte van de nieuwe Weg, kwamen hem voor de geest. Dan was er ook nog
Stefanus – in wiens dood hij had toegestemd – met woorden van vergeving op
de lippen en zijn vertrouwen in God, terwijl hij de laatste adem uitblies:
‘Heer Jezus, ontvang mijn geest’. Maar waarom had hij zo’n
gewetenswroeging? Hij had beslist gelijk door zich van de christenen te ontdoen.
Dit
waren Sauls gedachten terwijl hij op het punt stond Damascus binnen te gaan,
toen ”hem plotseling licht uit de hemel omstraalde; en ter aarde gevallen,
hoorde hij een stem tot zich zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? En Hij
zeide: Ik ben Jezus, die gij vervolgt. Maar sta op en ga de stad binnen en daar
zal u gezegd worden, wat gij doen moet. En de mannen die met hem reisden,
stonden sprakeloos, daar zij wel de stem hoorden, maar niemand zagen. En Saulus
stond op van de grond en hoewel hij zijn ogen open had, kon hij niets zien, en
zij leidden hem bij de hand en brachten hem naar Damascus. En hij kon drie dagen
lang niet zien, en hij at of dronk niet. Nu was er te Damascus een discipel,
genaamd Ananias; ene de Here zeide tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zeide:
Zie, hier ben ik, Here. En de Here zeide tot hem: Sta op, en ga naar een straat
die de Rechte heet, en vraag ten huize van Judas naar iemand uit Tarsus, genaamd
Saulus, want zie, hij is in gebed en hij heeft in een gezicht een man, genaamd
Ananias, zien binnenkomen en hem de handen opleggen, opdat hij weer zien kon. En
Ananias antwoordde: Here, ik heb van velen over deze man gehoord, hoeveel kwaad
hij uw heiligen te Jeruzalem aangedaan heeft; en hier heeft hij volmacht van de
overpriesters om allen, die uw naam aanroepen, gevangen te nemen. Maar de Here
zeide tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren werktuig om mijn naam te
brengen voor heidenen en koningen en de kinderen Israëls; want Ik zal hem tonen
hoeveel hij lijden moet ter wille van mijn naam” (Hand.9:3-16).
De
bekering van Paulus is misschien de meest dramatische gebeurtenis geweest in de
apostolische gemeente, en met welk een vreugde hoorde zijn moeder, Praxedes, van
de grote verandering die bij haar zoon had plaatsgevonden. Saul had zijn
halfbroer Rufus waarschijnlijk nooit gezien en had zeker nooit zijn moeder vóór
zijn bekering in Rome bezocht, maar daarna schreef hij in zijn ‘brief aan de
Romeinen’: “Groet Rufus”, hem bij zijn voornaam noemend “met zijn
moeder, die ook voor mij een moeder is” (his mother and mine). Het is een
opmerkelijk feit dat de twee zonen van Praxedes de enigen zijn die in het Nieuwe
Testament worden aangeduid met de term ‘uitverkoren’. Paulus’ moeder was
in de buurt om haar zoon te steunen en te bemoedigen tijdens zijn gevangenschap
in Rome. Zij moet op beide zonen even trots zijn geweest: op haar oudste als
‘een uitverkoren werktuig voor de Heer’ en op de jongste, door Paulus
genoemd ‘de uitverkorene in de Here’, die door zijn aanleg en talenten
zoveel voor de vroege kerk heeft betekend.
Mariamne,
de zuster van Praxedes, nam bij haar huwelijk met een andere Romeinse patriciër
de naam Priscilla aan. Zij werd eveneens een rijke weduwe, bekeerde zich en op
haar eigen grondgebied, buiten de poort van Salaria, bouwde zij een privé
kerkhof, nu nog bekend onder de naam ‘Catacombe van Priscilla’. Beide
zusters maakten deel uit van een gerenommeerde groep christenen van wie velen
stierven voor hun geloof in Jezus Christus. De grote apostel werd altijd
gesteund door hun gebeden en liefderijke vriendschap en niet in het minst door
die van Praxedes, zijn moeder.