Verstaat u het?
“Hoe
groot zijn uw werken, o HERE;
zeer diep zijn uw gedachten. Een redeloos mens verstaat het niet, en een dwaas
begrijpt dit niet: wanneer de goddelozen uitspruiten als het groene kruid en
alle bedrijvers van ongerechtigheid bloeien, zij zullen voor immer verdelgd
worden. Maar Gij, o HERE,
zetelt in den hoge voor eeuwig. Want zie, uw vijanden, HERE, want zie, uw
vijanden zullen te gronde gaan, verstrooid zullen worden alle
boosdoeners.” (Ps.
92:5-9).
In dit deel van Psalm 92 wordt gesproken over mensen die iets niet begrijpen.
Ze begrijpen niet dat Gods vijanden te gronde zullen gaan. Er wordt in het
parlement gesproken over godslastering. Er is een oude wet, die dit kwaad
strafbaar stelt. Met die wet doet men in onze dagen niets, want we hebben
vrijheid van meningsuiting en kunnen dus zeggen wat we willen, denken we. Maar
nu wonen er vele moslims onder ons volk en die storen zich er aan als er kwaad
wordt gesproken van hun god en hun profeet. Ja, er is zelfs iemand die een
moord gepleegd heeft en anderen worden met de dood bedreigd!
De minister van justitie wil nu godslastering strenger aanpakken, maar
daartegen komt een grote meerderheid van de Tweede Kamer in het geweer. Die
oude wet moet niet weer actief gemaakt worden, maar volledig verdwijnen.
Leve de vrijheid van meningsuiting.
Er zijn maar weinig beperkingen en dat is in de eerste plaats “discriminatie”.
Wee over iedereen die iets tegen homoseksualiteit durft te zeggen en spreken
over nationale gevoelens mag ook niet, behalve bij de sport. Zo zijn er nog
enkele zaken, die verdacht zijn. Maar vloeken mag en christenen achterlijk
noemen is ook geen bezwaar. De socialistisch/liberale gedachten overheersen en
christenen durven nauwelijks meer protesteren.
De machthebbers van onze dagen worden in Psalm 92 “goddelozen” en
“bedrijvers van ongerechtigheid” genoemd. Dat ze goddeloos zijn is
duidelijk, ze houden met God geen rekening. Daardoor worden ze bedrijvers
van ongerechtigheid, want alles wat tegen Gods geboden ingaat is zonde en
ongerechtigheid. De Psalm vertelt ons dat wanneer het met de goddelozen goed
gaat en ze groeien in hun goddeloosheid en hun ongerechtigheid bloeit
oftewel duidelijk zichtbaar is en mooi wordt gevonden, dat zij voorgoed
verdelgd zullen worden. De Bijbel is duidelijk over het kwaad. Onze voorouders
in Israël kregen de opdracht het kwaad uit hun midden uit te roeien. Daarbij
ging het om daden die tegen Gods wetten ingingen. De Here Jezus heeft later
duidelijk gemaakt, dat het kwaad voortkomt uit het hart van de mens. Een mens
heeft dikwijls verkeerde neigingen en foute verlangens. Daaraan toegeven
brengt foute daden voort en die moeten streng worden aangepakt volgens Gods
wetten. De Here Jezus heeft de weg gewezen om van ons verkeerde innerlijk af
te komen, door de vernieuwing van de “inwendige mens”. Hij geeft een nieuw
hart, waaruit geen kwaad voortkomt.
Stellen wij ons open voor alle zogenaamde vooruitgang? Of stellen wij ons
open voor het werk van Gods Geest in ons leven? Moderne kunst, muziek,
theologie, lectuur, al deze zaken wijzen op deze wereld en alles wat daar te
genieten valt. Maar onze aandacht wordt dan afgeleid van God, van zijn Woord.
De moderne, goddeloze mens weet niet meer van zonde en oordeel en vele
christenen schijnen daar ook steeds minder van te weten. Hebben ze nog een
Verlosser, een Heiland, een Messias nodig?
Het jaar dat bijna is afgelopen, was vol van geweld. Dat is een duidelijk
teken van de eindtijd. Oorlogen en geruchten van oorlogen zijn aan de orde van
de dag. En de mensen worden bang.“En er zullen tekenen zijn aan zon en
maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het
bulderen van zee en branding, terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst
voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen
wankelen.” (Lukas 21:25-26).
Het is ook de tijd dat de verlossing van Gods volk voor de deur staat. Het
gaat door de diepte heen, maar de uitkomst is zeker. U kunt daar Psalm 92
verder op nalezen en de Here Jezus zegt het ook zelf: “En dan zullen zij
de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid.
Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden
omhoog, want uw verlossing genaakt.” (Lukas 21:27-28).
Zo kunnen we met vertrouwen de toekomst tegemoet zien: “De rechtvaardige
zal groeien als een palmboom, opschieten als een ceder van de Libanon; geplant
in het huis des HEREN groeien zij
in de voorhoven van onze God; zij zullen in de ouderdom nog vrucht dragen,
fris en groen zullen zij zijn; om te verkondigen, dat de HERE
waarachtig is, mijn rots, in wie geen onrecht is.” (Psalm 92:12-15).
G. van der Laan
Nieuw-testamentische christenen
In het artikel “Israël in de laatste dagen”, geplaatst in Een Nieuw
Geluid nummer 6 van 2002, schreef
ik: “Maar kom met
geschiedenis en toekomst nu niet aan bij de moderne mens, zeker niet als het
gaat over de bijbelse geschiedenis en de toekomst zoals die in de Bijbel
wordt beschreven. De bijbelse geschiedenis bevat prachtige verhalen, het is
wel waar maar niet waar gebeurd. Anderen beweren dat de bijbelse geschiedenis
geen enkele rol meer vervult. Wij zijn nieuw-testamentische christenen, het
Oude Testament is van geen belang meer, bovendien zijn de beloften aan Israël
uitgesteld. Daarom is en blijft de Bijbel voor velen één groot
raadsel....”
In dit artikel wil ik ingaan op
die ‘anderen’, die nieuw-testamentische christenen. Gelovigen, actief in
kerk en maatschappij, maar zij staan niet of nauwelijks open voor de Israël-visie.
‘Het Nieuwe Testament is toch voldoende’, is een veel gehoorde opmerking.
Zij zien niet in dat het Nieuwe Testament onlosmakelijk verbonden is met het
Oude Testament. Dan is het ook onmogelijk Jezus te identificeren als de
Christus, om nog maar niet te spreken over de identificatie van Israël. “Saulus
..... bracht de Joden ..... in verwarring door te bewijzen dat deze (Jezus)
de Christus is”(Hand. 9:22, zie 18:28). Hoe kon hij ‘bewijzen’?
Alleen uit het Oude Testament. En om zich van het Oude Testament af te wenden,
omdat daarin sprake zou zijn van een ‘wrekende’ God, klinkt meer als een
verontschuldiging om zich niet verder in dat deel van de Bijbel behoeven te
verdiepen. En dan is er nog de algemeen aanvaarde gedachte dat het Oude
Testament joodse geschiedenis is en daarom voor nieuw-testamentische
christenen niet meer relevant. Wij kunnen natuurlijk wel alles onderbrengen
bij de zogenaamde ‘vergeestelijking’ welke tenslotte leidt tot afval van
het geloof, maar wat minstens zo ingrijpend is, is de totale verblinding, een
begrip dat in de Bijbel zeer veel voor komt.
Onmondigen
Wij zouden die nieuw-testamentische christenen bijbels-ongeletterden kunnen
noemen. Paulus noemt hen ‘onmondigen’. “En ik, broeders, kon niet tot
u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts als tot vleselijke, nog
onmondigen in Christus. Melk heb ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat
kondt gij nog niet verdragen. Ja, dat kunt gij ook nu nog niet ...(1 Cor.
3:1,2). Zij zijn niet of nog niet in staat het vaste en stevige voedsel van
diepergaand bijbelonderzoek te verteren.
Dan is het ook onmogelijk in Jezus Christus de Verlosser
van Israël te zien, en – wat zeker zo belangrijk is – Zijn priester zijn
naar de ordening van Melchizedek. “Gij zijt priester in eeuwigheid naar
de ordening van Melchizedek” (Hebr. 5:6, zie ook de verzen 5 en 10 en
6:20 en hoofdstuk 7). Hij wordt genoemd in Gen. 14:18,19: “En Melchizedek,
de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij nu was een priester van God, de
Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde...” Zie ook Psalm 110:4.
En wat er staat in de verzen 12-14 van Hebr.5 is wel heel duidelijk:
“Leraars behoordet gij te zijn”. Dat betekent goed op de hoogte zijn
van de geschiedenis, de wetgeving en van de profeten. Ik wil hierbij wijzen
op het gesprek tussen Jezus en die twee mannen op de weg naar Emmaüs. (Lucas
24:25: “O, onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles
wat de profeten gesproken hebben”. Zij hadden het kunnen en moeten
weten. En dan te bedenken dat van ‘officieel’ christendom nog geen sprake
was. Het gaat hier over mensen, die nog maar kort geleden tot geloof waren
gekomen en die ‘slechts’ in het bezit waren van de Schriften, voor ons
het Oude Testament. (Even terzijde: de eerste christenen werden geen
‘christenen’ genoemd maar ‘Zij die van de Weg waren’ (Hand. 19: 9,
23 en 24:14).
Over de wet
“Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder die
gelooft” (Rom.
10:4). “Jezus heeft de wet vervuld”. Voor ons gelden toch de tien
geboden? Hieruit blijkt een gebrek aan onderscheid waar het in de goddelijke
wetgeving om gaat. Hiervan zegt Jezus zelf: “Meent niet, dat Ik gekomen
ben.....om de wet of de profeten te ontbinden...” (Matth. 5:17 en in
vers 18: “....zal niet één jota of één tittel vergaan van de wet”.
En dat ‘einde der wet’ betekent ‘doeleinde (telos) der
wet’. Dat is de liefde.
Dan kunnen de nieuw-testamentische christenen – en zij
niet alleen – wel spreken over waarden en normen, maar zij beseffen niet,
dat deze de goddelijke wetgeving als grondslag hebben. Om die te bestuderen
zullen zij toch het Oude Testament moeten opslaan. Zij zullen dan – al of
niet tot hun verbazing – ontdekken dat die wetten het gehele leven
betreffen. Niet alleen individueel, maar ook nationaal, ja zelfs
internationaal. Het gaat niet alleen over recht en gerechtigheid, maar ook
over voedsel en gezondheid, zorg en hygiéne en vele andere onderwerpen. Het
zal wellicht verwondering wekken wat er staat in Hebr. 6:1: “Laten wij
daarom het eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten en ons richten op
het volkomene, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode
werken en geloof in God....” Dat wordt gezegd tegen christenen die al
‘volwassen’ waren geworden. Zij hadden het stevige voedsel dat de studie
van het Oude Testament biedt reeds genuttigd.
Onderzoekt ...
Nu
niet, geen tijd, geen zin, gebrek aan tijd. De voorganger/de dominee zegt het,
dus is het zo en daarom behoef ik niet meer te zoeken. De eerste christenen
dachten er kennelijk anders over. “...en dezen (Christenen uit Beréa)
onderscheidden zich gunstig van die te Thessalonica, daar zij het woord met
alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen of deze
dingen zo waren. Velen dan van hen kwamen tot het geloof” (Hand.
17:11,12). Bij die ‘Schriften’ gaat het over het Oude Testament, het
Nieuwe Testament bestond nog niet. Duidelijk is, dat zij zich – wat
oneerbiedig gezegd – niets op de mouw lieten spelden. Zij onderzochten of
het wel waar was wat de apostelen vertelden over de Here Jezus Christus. En
dan met name of Hij wel de beloofde Messias was, Die komen zou als Verlosser
van zijn volk Israël. “Want Hij heeft omgezien naar Zijn volk en heeft
het verlossing gebracht” (Luc. 1:68; 7:16). Dat betekent herstel van het
Koninkrijk en redding van de wereld. Zij ontdekten tevens dat dit als het ware
was ingebed in de geschiedenis van dat ene volk, het uitverkoren geslacht, dat
een zegen zou zijn voor alle geslachten. “De HERE
zeide tot Abraham: .... Ik zal u tot een groot volk maken....en gij zult tot
een zegen zijn....en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend
worden” (Gen
12:3). Zij zullen zeker begrepen hebben wie met dat volk bedoeld werd: Israël,
Gods Koninkrijk op aarde. Van de wetten, die aan dat volk waren gegeven, is
niets vervallen. Nogmaals: “Meent niet dat Ik gekomen ben om de wet en
de profeten te ontbinden..... maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u:
Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel
vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied” (Matth.5:17,18, zie ook
Luc.16:17). En zij kwamen tot het geloof, dat het grote plan tot redding van
alle volken en genezing van al het kwaad zal worden uitgevoerd door het
herstelde en bekeerde Israël.
(wordt vervolgd)
Ingezonden:
n.a.v.
“Zal God ooit zijn volk vergeten?” door G.J. van Loon in nummer 4
van deze jaargang, bladzijde 105 en volgende.
Op
de gestelde vraag kan ondergetekende van harte “Neen” zeggen.
Toch
gaat dit artikel mijns inziens te ver door de nadruk uitsluitend op Israël te
leggen. Israël is immers uitverkoren om te dienen!
De
opdracht in Marcus 16:15 luidt: “Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt
het evangelie aan de ganse schepping”.
Het
verbondsvolk is er voor de ganse schepping! “Opdat in de naam van Jezus zich
alle knie zou buigen van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder
de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van
God , de Vader”. (Phil.2:10, 11, zie ook Jes.45:23). “ Zie, Ik, de HERE, ben de God van al wat Leeft; zou voor Mij iets te wonderlijk zijn?” (Jer.32:27).
Als
Israël Gods getuige is, tot wie moet Israël dan getuigen? (Jes. 44:8).
“Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen
levend gemaakt worden” (1Cor.15:22, zie ook Rom.5:18,19).
Pas
als Israël wederom hersteld is in het beloofde land onder het Nieuwe Verbond,
zal het tot zegen zijn voor alle geslachten op aarde, zoals dit aan Abram
beloofd werd in Genesis 12:2,3.
“Met
reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen
Gods” (Rom. 8:19).
De
blijde boodschap is, dat de dood is overwonnen. Dat is redding voor de hele
schepping!
De
verlossing is uitsluitend voor Israël, Zijn verbondsbloed is voor
het ongehoorzame, overspelige Israël. De heidenen buiten Israël hadden geen
verbondswet, dus die hebben niet die wetsovertreding. Zij worden gered
uit de dood.
Eens
zullen alle volken via het herstelde Israël, die Koning gehoorzamen, omdat ze
dan een duidelijk nationaal voorbeeld zullen hebben om na te volgen!
Daarvoor
is Israël door God in het leven geroepen. Door de lezing van
Van Loon zouden wij een verkeerde kijk kunnen krijgen op het plan van
God met Zijn hele schepping!
M.J.C.
Splinter
DE VROEGE KERK (8)
Op
weg naar Brittannië
Al
was er in Gallië nog zoveel werk verzet door de heiligen van de eerste eeuw,
de Britse kerk kreeg vanwege zijn ouderdom altijd voorrang bij concilies, tot
aan de tijd van de reformatie. We kunnen ervan uitgaan dat de verbreiding van
het geloof in dit land snel ging omdat het onmiddellijk weerklank had
gevonden.
De
komst van Jozef van Arimathea en zijn elf metgezellen in Glastonbury vond
plaats twintig jaar voordat Paulus in Rome aankwam. Er zouden nog vier jaar
verstrijken voor Claudius de troon van de caesars besteeg en nog eens negen
jaar voordat Caradoc (Lat.naam:Caractacus) en zijn familie gevangen werden
genomen. Als we de mobiliteit en de inzet van deze heiligen in aanmerking
nemen, is het niet moeilijk te begrijpen dat de waarheid van het christendom
zich zo snel door Zuid-Engeland en Wales, zo niet verder, kon verbreiden. De
Britse koninklijke familie kon in feite het christelijk geloof aangenomen
hebben alvorens zij naar Rome werden afgevoerd.
Archeologen
hebben verbaasd gestaan bij recente ontdekkingen in de laatste jaren van een
groot aantal ‘Chi-Rho’-monogrammen in Romeins-Britse gebouwen. Dit
symbool, dat bestaat uit de eerste twee letters van de naam van Christus in
het Grieks is duidelijk en onmiskenbaar. Het meest treffende voorbeeld ervan
werd gevonden in een goed bewaard gebleven mozaïekvloer te Hinton St.Mary, in
Dorset. In het midden van het ontwerp is een hoofd afgebeeld met de Chi-Rho
erachter. Het zou heel goed een portret kunnen zijn van de eigenaar van het
huis met het symbool dat hem als christen aanmerkt. In het museum van
Canterbury is een zilveren lepel te zien met Chi-Rho erin gegraveerd, door
experts gedateerd in de tweede eeuw. In het landhuis te Icklingham, in Suffolk,
bevindt zich een loden watertank met zowel het Chi-Rho als Alfa-Omega teken
erop. Bij Ely werd een tinnen beker gevonden met typisch Keltische
dierenafbeeldingen langs de rand; een opvallend deel in het patroon was een
duidelijke Chi-Rho, met aan beide zijden een Alfa-Omega. De vondst van een
aantal loden waterbakken heeft geleid tot de conclusie dat zij gebruikt zouden
kunnen zijn voor volwassenendoop. De zendelingen beschouwden een doopvont als
noodzakelijk, zodat bekeerlingen meteen gedoopt konden worden.
Joan
Liversidge wijdt in haar boek ‘Britain in the Roman Empire’ acht
bladzijden aan bewijzen van het christendom in Romeins Brittannië. Ze spreekt
over een aantal gebouwen die kapellen blijken te zijn, maar die geen specifiek
christelijke kenmerken hebben, ofschoon er een werd gevonden in Silchester,
met een duidelijk herkenbare doopkapel ernaast. Dan vertelt ze een spannend
verhaal over het aaneenvoegen van een gebroken muur in Lullingstone (Kent),
waarbij rijke Romeins-Britse vondsten zijn gedaan, waaronder een fresco,
geschilderd in precies dezelfde stijl als die in de catacomben van Rome, met
twee grote Chi-Rho-symbolen op verschillende muren, beide omgeven door
bloemenguirlandes.
Wanneer
we bedenken dat alle vondsten tot nu toe maar een klein deel zijn van wat er
is geweest, komen we onvermijdelijk tot de conclusie dat er tijdens Romeinse
overheersing niet alleen veel christenen waren in Brittannië, maar dat zij
verspreid leefden over een groot gebied. Er zijn nog andere christelijke
symbolen gevonden, maar ze zijn niet zo kenmerkend als die hierboven
beschreven. Een ontroerende ontdekking was een woordpuzzel op de muur van een
Romeins gebouw in Cirencester. Het bestond uit een aantal Latijnse woorden,
die geen bijzondere betekenis schenen te hebben, maar men ontdekte dat de
letters, als ze anders werden gerangschikt, een kruis vormden dat van links
naar rechts en van boven naar beneden het woord ‘PATERNOSTER’ onthulde,
met aan beide uiteinden Alfa en Omega.
Voor
de vroege Engelse geschiedenis zijn we in hoofdzaak afhankelijk van de
kronieken van Wales. Door de elkaar opvolgende invasies, vanaf de Baodiceaanse
oorlog, gingen veel belangrijke documenten verloren, met als klap op de
vuurpijl de brand in de abdij van Glastonbury (1184), waarbij ook de
bibliotheek waar John van Glastonbury, William van Malmesbury en andere
schrijvers hadden gestudeerd, in vlammen opging. Gelukkig zijn veel gegevens
beschikbaar uit genoemde bronnen in Wales, die te zamen met Romeinse
verslagen, met name van Tacitus, en geschriften zoals die van Bede en de
Angelsaksische kronieken, ons aanwijzingen geven over de omstandigheden in
die tijd. Uit deze bronnen komen we ook te weten wat er gebeurde met de
Britse koninklijke familie. St.Donat’s Castle in Zuid-Wales staat
plaatselijk bekend als Caradoc’s Castle. Een paar kilometer daarvandaan ligt
Llanwit Major, waar door Eurgain, een van de dochters van Caradoc, de kerk
werd gesticht. Dit moet een van de oudste kerken van Brittannië zijn en het
was zeker een van de belangrijkste. Stenen muren van onbekende datum zijn in
de muren van de huidige kerk opgenomen en de reisgids vertelt ons haar geschiedenis.
Llanwit Major heette oorspronkelijk Caer Urgain, naar prinses Eurgain,
daarna werd het bekend als Bangor Eurgain. Bangor betekent ‘Hoogkoor’.
Eurgain had er een christelijk-Druïdische school met internaat gesticht voor
twaalf studenten. Dit was een klein begin, zoals in Glastonbury, maar deze
kerk groeide uit tot een van de grote kathedralen van Brittannië – vandaar
de naam Bangor, die werd toegepast op een aantal gebouwen die verband hielden
met de Keltische kerk; twee ervan, in Noord Wales en Belfast Lough, zijn nog
bekend onder die naam. Beide plaatsen waren belangrijke opleidingscentra voor
de vroege kerk. Bij het Cor Eurgain (Koor van Eurgain) was het de gewoonte dag
en nacht, zonder onderbreking, God lof te zingen, zoals in de tempel van
Salomo. Dit was het begin van de Grote Koren van de Keltische kerk en het is
opmerkelijk dat dikwijls de leidinggevende kerken zich daar hadden gevestigd
waar aanzienlijke Druïdische centra waren geweest. Hoe meer wij weten over
Druïdisme, hoe meer wij ons realiseren wat een wonderbaarlijke
voorbereiding het moet zijn geweest voor het christendom. Er is veel onzin
geschreven en gesproken over Druïden zonder dat er een poging is gedaan om
te ontdekken wat de Keltische literatuur ons vertelt. De Triades van Wales
zowel als die van Ierland zijn een uiting van Druïdische wijsheid, die niet
strijdig was met de christelijke waarheid zoals die door de zendelingen werd
gebracht. Het besef van onze identiteit doet ons de overeenkomst begrijpen
tussen het Israëlitische en het Druïdische priesterschap. De vroegste
migraties naar Brittannië vonden plaats voordat Israël tot heidendom
verviel en we kunnen ons goed voorstellen dat het Gods bedoeling was dat het
geloof in deze eilanden op een goede fundering zou rusten. Er waren kleine
stromingen met een heidense eredienst, maar het Druïdisme was altijd
dominant. In de triades lezen wij dat Bran, de Gezegende, – de vader van
Caradoc – aartsdruïde was. De christelijke Druïden, genoemd in verband met
Bangor Eurgain, waren Culdees en hun kerken waren talrijk in Wales, Schotland
en Ierland. In de Schotse Hooglanden, waar de Picten woonden, zijn veel kerken
gesticht door heiligen die onbekend zijn buiten dat gebied en in de
herinnering voortleven als Culdees. Brechin, dat de enige ronde toren in
Schotland heeft, naar het voorbeeld van die in Ierland, was een bekend
Culdee-opleidingscentrum. Een van de Britse vorsten, die bekend staat als
‘de laatste van de Romeinen’, omdat hij in Brittannië regeerde toen het
Romeinse keizerrijk al in verval was, heette Ambrosius Aurelianus. Hij was
de oom van koning Arthur. Britse en Latijnse geschiedschrijvers verwijzen
naar hem. De stad Amesbury – Ambres burh’ – in Wiltshire is naar hem
genoemd. Hij wordt beschreven als ‘de stichter van het grote heiligdom van
het neo-Druïdisme’1) en ook als ‘de bron van de bardische
leer’. Het ‘Koor van het heiligdom van Ambrosius’ was waarschijnlijk hét
klooster van Brittannië en het centrum van waaruit de zegeningen van het
christendom en de beschaving hun weg vonden. Verklaringen zoals deze hebben
menigeen in verwarring gebracht, omdat men het verband niet ziet tussen Druïdisme
en christendom. Voor hen die vertrouwd zijn met de Brits-Israëlvisie is de
samenhang even duidelijk als die tussen het Oude en Nieuwe Testament. De Druïden
verwachtten het christendom. In de Druïdische drie-eenheid was Hesus de
‘herschepper van de toekomst’. Toen Jezus kwam was Hij de vervulling van
hun verwachtingen, beide in naam en persoon. De Culdee-kerk van Ambrosius
werd, volgens William van Malmesbury, gesticht om de invloed van de heidense
Saksen tegen te houden, terwijl koning Arthur de verenigde legers van de
Britten aanvoerde in een poging om Brittannië tegen de invasie te
verdedigen. Arthur kon niet weten dat de Saksen broeders waren die voor
Christus gewonnen moesten worden; evenals de Saksische koning Alfred later
zou ontdekken dat de binnentrekkende Noormannen broeders waren die hij
uiteindelijk het evangelie zou brengen.
Als
wij Eurgains achtergrond bekijken zullen we ontdekken dat die puur Druïdisch
was. Haar grootvader was Bran de Gezegende en haar overgrootvader, als wij
ons houden bij de Silurische familie, was Llyr Lledieith, die eveneens de
voorvader was van de koningen van Domnonia (Cornwall, Devon, Somerseth),
waaronder ook Uther en zijn zoon Arthur.2) Haar echtgenoot was
Salog, de prins van Old Sarum, bij Salisbury. Het is heel waarschijnlijk dat
hij verantwoordelijk was voor de bouw van de abdij te Amesbury, die wordt
vermeld onder de Grote Koren van Brittannië. Het latere werk van Ambrosius
lijkt veeleer een herstel te zijn geweest van een bestaand centrum dan de
vestiging van een nieuw. Als een volk wordt beschouwd als christelijk wanneer
zijn koning en de meeste van zijn onderdanen het geloof aannemen, dan zou die
datum voor Brittannië rond 58 vallen. Bran de Gezegende die in de literatuur
van Wales altijd wordt beschouwd als de eerste christelijke koning is het
onderwerp van Triade 35 uit de ‘Triades van de Cymry’ die ons vertelt:
‘Bran de Gezegende, zoon van Llyr Llediaeth, bracht als eerste het christendom
bij de Cymry vanuit Rome, waar hij zeven jaren verbleef als gijzelaar voor
zijn zoon Caradoc. Dit is omstreeks de tijd geweest dat Paulus zijn brief aan
de Romeinen schreef. Toen Bran terugkeerde, aanvaardde – volgens ‘Achau
Saint Prydain’, de stamboom van Wales – Aristobulus, de eerste bisschop
van Brittannië, zijn ambt. Wij lezen dan: “Dezen kwamen met Bran de
Gezegende uit Rome naar Brittannië: Arwystli Hen (Aristobulus de oude),
Ilid, Cyndaw, mannen van Israël; Manaw, zoon van Arwystly Hen”. De vreemde
manier waarop naar Aristobulus en zijn twee vrienden wordt verwezen als’
mannen van Israël’ en zijn zoon die daarna wordt vermeld alsof hij geen
‘man van Israël’ zou zijn, doet ons vermoeden dat Manaw misschien geboren
was toen zijn vader in Rome verbleef, waardoor de schrijver van de stamboom
aarzelde hem een man van Israël te noemen. Er is meer bekend over Aristobulus
dan over de meeste van zijn metgezellen, omdat hij verschillende keren wordt
genoemd in de geschiedenis van de martelaren, tot zelfs in Griekenland toe.
Uit deze gegevens kunnen wij ons een beeld vormen van onze eerste bisschop.
Ado,
aartsbisschop (9e eeuw) van Vienne, een plaats in de Rhônevallei, vertelt ons
dat ‘hij de broeder was van Barnabas, de apostel, door wie hij tot bisschop
werd gewijd’.3 Hippolitus, die in het begin van de derde eeuw
schreef, spreekt duidelijk over hem als ‘bisschop van de Britten’. Dorotheüs,
die omstreeks het jaar 300 schreef, vertelt ons: “Aristobulus, die door
Paulus wordt gegroet in zijn brief aan de Romeinen, was bisschop van
Brittannië”.4 De langste en meest uitgebreide verwijzing naar
hem is te vinden in de Griekse Menologie, een verzameling notities betreffende
de heiligen, bijeengebracht uit alle oostelijke kerken op bevel van keizer
Basilius van Macedonië, tijdens de negende eeuw. Het zegt: “Aristobulus was
een van de zeventig discipelen, een volgeling en medewerker van de apostel
Paulus, met wie hij het evangelie predikte aan de hele wereld”. Hij werd
door Paulus uitgekozen om een missionaire bisschop te worden in het land van
Brittannië”. Hier is een interessant detail. Geen wonder dat hij werd
beschreven als een ‘missionaire bisschop’, want de Heer zelf zond zijn
zeventig discipelen op pad. Vóórdat zijn broeder, de apostel Barnabas, hem
wijdde, vóórdat Paulus hem uitzond, had de Heer zelf hem de meest
belangrijke wijding van allemaal gegeven. De Menologie eindigt met de volgende
woorden: “Hij werd aldaar doodgemarteld, nadat hij kerken had gebouwd en
diakenen en priesters had gewijd voor het Eiland”. Bij de bron van de rivier
Severn in Montgomeryshire ligt Arwystly, een plaats die naar hem genoemd is
en waarvan wordt gezegd dat Aristobulus daar de marteldood is gestorven.
Dorotheüs
schrijft ook over Simon Zelotes, een apostel waarover niet meer gesproken is
na de opstanding van Jezus. Was hij eveneens niet meer in het oosten? Dorotheüs
vertelt ons: “Simon Zelotes reisde door geheel Mauretanië (N-Afrika) en
omgeving om Jezus Christus te prediken. Hij werd uiteindelijk gekruisigd,
gedood en begraven in Brittannië”.4 Men denkt dat dit in
Linconshire heeft plaatsgevonden. Er is een tweede verwijzing naar dit
martelaarschap in de ‘Chronologia’ die werd geschreven in de negende
eeuw door Nicephorus, patriarch van Constantinopel.
Wat
een gezelschap van uitverkorenen treffen we aan op deze kusten! Uit de
geschiedenis van Wales is op te maken dat Caer Eurgain een geliefde plek van
samenkomst voor hen was. Misschien is dat ook de reden waarom zoveel triades
in Wales bewaard zijn gebleven die de namen dragen van vermaarde gasten. Een
ervan is de bijdrage gemaakt door Ilid, een metgezel van Aristobulus, die
wordt beschreven als ‘heilige van het ras van Israël’. Ilid is de
Keltische vorm van zijn naam. Wij hebben nog niet de naam kunnen ontdekken die
hij in Palestina droeg.
Lazarus
moet op een keer, in zijn drukke bestaan als bisschop van Marseille, zijn
vrienden in Brittannië hebben bezocht, want de Triade van Lazarus is bewaard
gebleven; de enige woorden die in de literatuur aan hem zijn toegeschreven.
Paulus
kennen wij uit zijn brieven. Tussen de geschriften die verwijzen naar zijn
komst naar Brittannië bevinden zich de ‘Triades van Paulus, de apostel’,
niet minder dan tien in getal.5 Ze staan vol christelijke wijsheid
en er is geen reden hun authenticiteit te betwijfelen. Clemens Romanus spreekt
van Paulus die naar ‘het uiterste westen’ gaat, daarna terugkeert naar
Rome waar hij het martelaarschap ondergaat ‘in aanwezigheid van de heersers
der mensheid’. Clemens, die bisschop van Rome was, moet de waarheid van die
gebeurtenis gekend hebben.6) Hiëronymus en Chrysostomus
schrijven over Paulus die naar het uiterste westen reist en Theodorus, een
Syrische bisschop uit de vijfde eeuw, vertelt ons dat Paulus ‘het evangelie
van Christus bracht aan de Britten en anderen in het westen’. Zelfs de
paus (Pius XI) die enkele belangrijke Britse bezoekers een plezier wilde doen,
bracht de theorie naar voren dat het ‘Paulus zelf was en niet paus Gregorius
I, die als eerste het christendom in Brittannië introduceerde’. Wij
verwelkomden dit stukje nieuws in ‘The Morning Post’ van 27-03-31 met
groot genoegen. Wij waren al van deze waarheid op de hoogte, maar hier was het
de paus zelf die het onder woorden bracht; een ongekende gebeurtenis.
Over
de plaats waar Paulus in Brittannië voet aan wal zette bestaat een
plaatselijke overlevering die een zekere miss Hargrove ons geeft uit een oude
kroniek van het Eiland Wight: ‘Paulus, die met verscheidene andere
christenen aankwam, sommigen van hen hadden onze gezegende Heer persoonlijk
gekend, landde in Bonefon op het Eiland Wight. De juiste plaats heet nu
Sandown Bay, de monding van de haven van Brading... Hij ging naar het
vasteland vanuit Rhydd – het veer heet nu Ryde – naar Aber Deo, de haven
van God, of Godsport-Gosport’.
Dit
is niet zo fantastisch als het lijkt, want Paulsgrove daar vlakbij, ten
noorden van Portsmouth, is zo genoemd omdat Paulus daar een bezoek bracht.
(slot volgt)
1)
A.Herbert:
Brittannia after the Romans
2)
Bonedd y Saint
3)
Adonis Martyrologia
4)
Synopsis de Apostal
5)
St.Paul in Britain, Morgan
6)
Clemens Romanus, Epist.Cor.ch.v.
![]()
HET
VERBORGEN ZAAD
Marcus 4:26-32
“En
Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, als een mens, die zaad werpt in de
aarde, en slaapt en opstaat, nacht en dag, en het zaad komt op en groeit,
zonder dat hij zelf weet hoe. De grond brengt vanzelf vrucht voort; eerst een
halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar. Wanneer dan de
vrucht rijp is, laat hij er terstond de sikkel in slaan, omdat de oogsttijd
aangebroken is. En hij zeide Hoe zullen wij het Koninkrijk Gods afbeelden, of
onder welke gelijkenis zullen wij het brengen?
Het
is als een mosterdzaadje, dat, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het
kleinste is van alle zaden op de aarde, en toch, als het gezaaid is, opkomt en
groter wordt dan alle tuingewassen, en grote takken maakt, zodat in zijn
schaduw de vogelen des hemels kunnen nestelen”.
In
het evangelie van Marcus lezen wij opnieuw de gelijkenis van de zaaier,
dezelfde als is beschreven in het evangelie van Mattheüs. Het agrarische
thema is door Jezus echter wat verder uitgesponnen. Het koninkrijk is gelijk
een zaad wat in de grond gestopt is. De man die dat gedaan heeft kijkt iedere
dag hoe het begint uit te spruiten; eerst de halm, dan de aar en uiteindelijk
het gerijpte koren. De wonderbaarlijke groei van de plant uit zo’n klein
zaadje, dat verborgen in de grond een tijdlang onzichtbaar was, totdat
ontkieming en een beginnende groei heeft plaatsgevonden, beschrijft de
ontwikkeling van het koninkrijk.
Na
hun verwijdering uit het beloofde land en hun gevangenschap in Assyrië was
het koninkrijk verborgen voor de ogen van de wereld. Als een zaad plantte God
hen in een nieuwe locatie waar zij verborgen leefden.
Als
iemand een zaad in de grond plant behoeft men niets anders te doen dan te
wachten en te kijken hoe het zich ontwikkelt; men heeft geen deel aan het
groeiproces. Het heeft al dat kleine vonkje leven in zich dat afhankelijk is
van God, de gever van alle leven, voor zijn groei en ontwikkeling. Zo gaat
het ook met het koninkrijk, dat maakt de analogie zo toepasselijk.
Toen
het koninkrijkszaad ontkiemde en begon te groeien werd zijn identiteit nog
niet herkend door de gehele wereld. De volken op de Britse eilanden en de
kustlanden waren gewoon volken onder alle andere volken. Maar voor God was de
groeiende plant iets bijzonders en gedurende zijn groei heeft Hij hem gevoed
en beschermd tegen al te zware stormen, zodat hij zou overleven, bloesemen en
vrucht dragen.
In
de gelijkenis zegt de Heer dat wanneer de vrucht rijp is de sikkel onmiddellijk
voor de dag wordt gehaald, want het is tijd om te oogsten. Dus ook deze
gelijkenis brengt ons naar het einde van dit tijdperk. Het moment van de
oogst is nogal precair. Oogst te vroeg en het gewas zal niet op zijn best
zijn, kan zelfs ongeschikt zijn voor gebruik. Doe het te laat en het resultaat
is hetzelfde. Dit beeld is vergelijkbaar met de tijd van de oogst aan het
einde van de eeuw. Wij zijn niet in de positie de dag of de tijd te weten
wanneer het koninkrijk rijp zal zijn voor Gods oogst. Door de profetie wordt
ons een glimp gegeven van de te verwachten omstandigheden in die kritieke
tijd, maar de dag of het uur wist zelfs de Heer niet.
Als
we kijken naar de staat van het koninkrijk in de huidige tijd moeten we wel
wanhopen of het ooit geschikt zal zijn om God in zijn bedoelingen naar
behoren te dienen. Toch weten wij, door de woorden van de profetie, dat de
staat van het koninkrijk niet beoordeeld zal worden naar menselijke
maatstaven, maar God oordeelt of het rijp is voor de oogst. Vanuit de Schrift
leren wij, dat de Israëlvolken in deze laatste dagen door ingrijpende
omstandigheden zullen worden gedwongen zich te bekeren van hun onrechtvaardige
wegen en Gods hulp zoeken. Een kritieke tijd, dat mag je wel zeggen. Als God
te vroeg zou handelen, zouden we niet in de juiste gemoeds- of
geestesgesteldheid verkeren om zijn Hand te herkennen en als onrijp gewas
onbruikbaar zijn. Als Hij zou treuzelen onze roep om zijn komst te
beantwoorden, dan zou het gewas snel verdorren en sterven. Dat zo’n
mogelijkheid bestaat wordt duidelijk bevestigd door de woorden van Jezus,
vastgelegd in Mattheüs 24: “En indien die dagen niet ingekort werden,
zou geen vlees behouden worden; doch ter wille van de uitverkorenen zullen die
dagen worden ingekort”.
De
ernstige situatie waar het koninkrijk voor zal komen te staan aan het eind van
de tijd wordt weerspiegeld in de onmiskenbare urgentie waarmee deze korte
gelijkenis eindigt: “...laat hij er terstond de sikkel in slaan...
”. Het juiste ogenblik kiezen is daarom enorm belangrijk. Maar zoals al is
geïllustreerd, wij zijn in Gods hand en zijn timing is een waarborg dat de
oogst zal plaatsvinden op precies het juiste moment.
Vert. Tj.Wijsman-Everaarts
N
E D E R L A N D
in de spiegel van
J O N A
Een
gezaghebbende prediker zei enige jaren geleden: “Wij moeten boven onze
persoonlijke roeping uitkomen tot de roeping die op onze natie ligt”.1
Deze uitspraak drukt kernachtig uit wat het boek Jona ons, als Nederlandse
natie, profetisch te zeggen heeft.
Jona
heeft een boodschap voor zijn volk
Jona
is zonder twijfel een historische figuur.2 Hij trad op tijdens de
langdurige regeringsperiode van Jerobeam II. Hoewel het met Israël in die
tijd geestelijk gezien bergafwaarts ging, was er toch een sprankje hoop.
Economisch liep het goed en ook op politiek gebied werd er vooruitgang
geboekt. Er werden enkele gebieden heroverd, die in het verleden van Israël
waren afgenomen.3 En Jona had dit mogen aankondigen! Israël was in
deze tijd van ellende niet geheel zonder troost. Het zou niet geheel en al
onder de hemel uitgedelgd worden.4
Jona
heeft géén boodschap aan de heidenen
Toch
moet Jona met pijn in zijn hart geconstateerd hebben dat deze tijdelijke
gebiedsuitbreiding de dreiging van het oordeel niet meer kon keren. Efraïm,
het koninkrijk van de tien stammen, zou eeuwenlang ophouden Gods volk te zijn
en uit het gezichtsveld verdwijnen!5 Als Jona dan ook op een dag de
opdracht krijgt van de HERE naar het heidense Ninevé te gaan om te prediken
tegen hun ten hemel schreiende zonden, knijpt hij er boos tussenuit. Diep in
zijn hart weet Jona dat de HERE barmhartig en
genadig is6 en je zult zien, straks komt Ninevé nog tot berouw en
trekt God Zijn oordeel in, terwijl Israël recht op zijn ondergang afsnelt. De
nijd die Jona toont komt voort uit de jaloezie waar Mozes en Paulus het over
hebben.7 Het is dezelfde jaloezie die ‘de oudste zoon’ uit
jegens zijn jongere broer als hij smalend tegen zijn vader spreekt over ‘die
zoon van u’8, alsof het niet zijn eigen broer is! De woorden
van Jezus: “Of is uw oog boos omdat Ik goed ben?”9 tekenen ook
Jona ten voeten uit.
Jona,
Zebulon, zee en zending
Jona’s
wortels lagen in het gebied van Zebulon, in het stadje Chat-Hefer.10
Deze stam heeft alles met de zee te maken. Jakob profeteerde op zijn sterfbed:
“Zebulon zal wonen aan het strand der wijde zee, ja, hij zal wonen aan het
strand bij de schepen, en zijn zijde zal naar Sidon gekeerd zijn”.11 In
Bijbelse tijd heeft Zebulon nooit aan de zee gewoond. Dat zou kennelijk
tijdens de eeuwen van ballingschap gebeuren. De zee zou vooral voor de
handel grote betekenis hebben en Zebulon zou zich oriënteren op Sidon (Phoenicië).
Gezamenlijk zouden zij de zeeën bevaren. Zebulon is als stam van Israël
echter niet geroepen om op te gaan in handel, economie en welvaart. Mozes
die bij het zegenen van de stammen Zebulon en Issaschar in één adem noemt,
brengt hen ook in verband met de zee, maar hun zeevaart zal ten dienste staan
aan hun geestelijke roeping: “Volken zullen zij roepen tot de berg”.12
Deze voortrekkersrol stamt al uit de woestijntijd. Vooraan trokken de
beide stammen op onder de banier van Juda (de leeuw!)13 Dit te
weten, maakt de ontrouw van de Zebuloniet Jona alleen maar ernstiger. In
plaats van zich te verheugen dat hij de taak van Israël, om tot zegen van de
volken te zijn, kan uitoefenen, maakt het hem boos.14
Jona
en Nederland
Maar
God is er ook nog. Als Jona tegen betaling meevaart op een vrachtschip naar
Spanje, “weg van het aangezicht des HEREN”,
werpt Hij een grote storm op zee. Terwijl de heidense bemanning ieder tot zijn
god om hulp schreeuwt, snurkt Jona ijskoud door al het stormgeloei heen.
Precies onze situatie. Wij zijn, zeker sedert de zestiende eeuw, overladen met
geestelijke zegeningen, die ons toestroomden vanuit Gods verbond met Abraham,
Isaäk en Jakob! Adeldom verplicht, maar wij lopen, als natie, al eeuwenlang
weg voor onze roeping. Net als Jona. Het is trouwens opmerkelijk dat ons volk
helemaal verweven is met de zee. Wij hebben stukje bij beetje ons land op de
zee veroverd en hebben ons letterlijk gevestigd ‘op het strand der wijde
zee’. Moet God, als bij Jona, de zee tegen ons in beroering brengen?
Jona
wakker geschud.....door heidenen!
De
houding van de gemiddelde Nederlander jegens de vreemdelingen in ons midden is
niet beter dan die van Jona ten opzichte van de bewoners van Ninevé. Het
‘integratie- en tolerantiebeleid’ van de regering heeft de tolerantie in
ons land niet bepaald verhoogd. Mozes’ woorden: “Steeds meer zal de
vreemdeling in uw midden u te boven gaan, terwijl gij al dieper zinkt”16
, geven onze situatie feilloos weer, maar daar hebben wij het dan ook
naar gemaakt. De manier waarop wij met de volken zijn omgegaan, is beschamend.
Terwijl tijdens de Dordtse Synode in 1618 en 1619 braaf en degelijk over het
leerstuk van de uitverkiezing werd vergaderd, vonden onder Nederlandse
verantwoordelijkheid (V.O.C.) de gruwelijkste tonelen plaats onder de
bewoners van enkele kleine eilanden (Banda-Eilanden) in Indonesië. Nederland
en Engeland vochten om.....de nootmuskaat.17 Drie eeuwen lang heeft
ons land een heel slechte rol gespeeld in de negerslavernij. De negers
werden als handelswaar beschouwd en op de plantages als vee bejegend. Als
natie zijn wij altijd al belust geweest op geld. De zending kwam pas heel laat
op gang en dan nog vaak ten dienste van ons eigen belang. Toch lijkt het erop
dat, ondanks het feit dat wij onze roeping verkwanseld hebben, de Heer onze
God, alsnog ‘heidenen’ gebruikt om ons hardhandig wakker te schudden en
tot de orde te roepen.
Het
lot viel op.....Jona!
In
de noodtoestand die op handen is, zullen de wereld en vooral de buitenlandse
gelovigen onder ons, door God bestemd worden om de vinger te leggen op de
schuld. Het lot dat de schuldige aanwijst, valt op.....de vroom-verdeelde
christenheid, die een theologische mug uitzuigt, maar een kameel doorslikt. De
tragische verdeeldheid, liefdeloosheid, veroordeling van elkaar, hooghartige
kritiek en quasi-vrome schijnheiligheid hebben de christenheid tot een
aanfluiting gemaakt. Hoeveel gemeenten zijn er geweest die, tijdens de
veertigjarige verkering om tot het huwelijk van de Protestantse Kerk van
Nederland te komen, één kerkelijke vergadering hebben gehouden met als
enige agendapunt gezamenlijk aan het Hoofd van de Gemeente, Jezus Christus, de
vraag voor te leggen wat Hij vindt dat er gebeuren moet? Daarom kunnen wij ons
er alleen maar over verheugen als wereldwijd in vervulling gaat wat Psalm 50
voorzegt:
“De God der goden, de HERE,
spreekt en roept de aarde
vanwaar de zon opgaat tot waar zij ondergaat.
Uit Sion, de volkomen schoonheid,
verschijnt God in lichtglans.
Onze God komt en zal niet zwijgen,
vuur verteert vóór zijn aangezicht,
rondom Hem stormt het
geweldig”
De
verantwoordelijkheid van de Gemeente
Wij
zijn vergeten dat de Gemeente de kerngroep is uit het volk met een
roeping voor het volk.19 De Gemeente is er niet ter wille
van zichzelf, maar heeft de bestemming de natie priesterlijk te
vertegenwoordigen bij God. En onze natie is er op haar beurt niet voor
zichzelf, maar heeft de haar van Godswege toegewezen taak, te midden van en
tot zegen van de andere volken. Nee, de kerk heeft niet de plaats van Israël
ingenomen. Juda heeft ook niet de plaats van Israël ingenomen, noch Israël
de plaats van Juda. Wie de twee zonen uit de gelijkenis verwisselt, houdt er
een vervangingsleer op na! Met de ‘jongste zoon’, die naar een vergelegen
land is gegaan, is de God van Israël een andere weg gegaan dan met de
thuisgebleven ‘oudste zoon’.20 Maar beiden roept Hij in
deze tijd met alle andere volken op, zich gereed te maken voor de
Messiaanse maaltijd in Zijn koninkrijk!21
Jona,
toon je identiteit!
Er
is heel wat voor nodig om Jona, om de Gemeente en daarmee ons volk op de plek
te krijgen die God bedoeld heeft. De heidense bemanning van het schip gaat
voorzichtiger met Jona om dan de elf broers ooit met Jozef hebben gedaan.
Eerst schudden zij Jona wakker. Vervolgens, als Jona door het lot als
schuldige is aangewezen, dringen zij er bij hem op aan met de waarheid op
tafel te komen. Wat brengt jou hier op dit vrachtschip naar Spanje, Jona? Wat
is jouw taak? Waar liggen je wortels? Uit welk land ben je afkomstig? Tot welk
volk behoor je?22 Het is duidelijk dat heidense scheepslieden, die
met hun vragen nauwelijks boven het gebulder van de storm uitkomen, niet op
een omslachtig verhaal zitten te wachten. Ze verkeren in doodsnood en daarom
stellen zij vragen recht op het doel af. Aan ons als Nederlands volk, de
gemeente voorop, zullen die vragen ook gesteld worden. Niet aan een enkeling,
maar aan ‘heel de kerk en heel het volk’! De vreemdelingen onder ons en de
buitenkerkelijken (wat nog niet gelijk staat met ‘ongelovigen’) hebben het
recht de Gemeente naar haar bestaansrecht te vragen. Men hoeft bij een
buitenkerkelijke of een buitenlander niet met een lang verhaal over de eigen
geliefkoosde kerk aan te komen. Zij zijn er alleen bij gebaat als ze zien
waar onze wortels liggen: in die ene persoon uit Israël, Jezus, Gods Zoon.
Bij een brekend schip is er maar één Naam die redt! Wie in het ‘Persoonsbewijs’
van Jezus knoeit, heeft met God de Vader een groot probleem!
Jona
raakt in zijn antwoord precies de kern. Hij zegt niet: ‘Ik ben geboren in
Gath-Hefer, een dorpje in het noorden van Israël, het gebied van de stam
Zebulon en als profeet ben ik geroepen, maar ik ben voor een opdracht van
God op de vlucht’. Dat zou helemaal waar geweest zijn, maar veel van deze
informatie is voor deze buitenstanders totaal niet interessant. Daarom
antwoordt Jona door twee dingen te zeggen. “Ik ben een Hebreeër”. Dat is
één. Zo, nu weten wij meteen zijn identiteit, want de andere volken hadden
het, als zij de Israëlieten aanduidden, altijd over Hebreeën.23 Het
tweede deel van Jona’s antwoordt is: “..en ik vrees de HERE, de God des hemels, die de zee en het droge gemaakt heeft”. Nu begint het
te dagen. Wie in dienst staat van de God van zee en aarde, maar Hem ontloopt
– want dat heeft Jona wel gezegd – kan erop rekenen dat die God de zee
tegen hem opzet. Vandaar die hevige storm. Het vervult de schepelingen met
grote vrees.
“Neemt
mij op en werpt mij in de zee”
‘Wat
moeten wij met jou, Jona?’ vragen zij in uiterste nood. Voor Jona is er maar
één oplossing: hem oppakken en overboord werpen, dan zal de zee zwijgen,
want hij is schuldig aan de gebeurtenissen.24 Een andere oplossing
is er ook niet voor Nederland, de christenheid voorop. Miskotte zegt in dit
verband heel raak: “We denken wel eens (terecht?) dat het hele christendom
moet uitgeworpen worden, opgeslokt en weer uitgespuwd aan een onbekend strand,
wil er ooit weer gebed uit de diepte zijn. En, vanuit het nieuwe gebed, nieuwe
moed om te gaan naar de verte, in de vreemde, - gehoorzaam open voor het
heilig avontuur”.25 Dat het in ‘Jona’ om meer dan één
persoon gaat, is duidelijk. “De manier waarop God de profeet toetst wanneer
hij boos is omdat Ninevé gespaard is, heeft de bedoeling om Israël als in
een spiegel de grootheid van Gods erbarmen, welke de hele mensheid omvat, voor
te houden”.26
Wat
boven en onder water gebeurt...
De
heidense scheepslieden hebben de grootste moeite Jona zomaar overboord te
gooien. Zij vragen bij voorbaat of de HERE
toch alstublieft geen onschuldig bloed op hen zal leggen.27 Daarop
verdwijnt Jona in de hoog opgezweepte golven, die onmiddellijk tot bedaren
komen. Hoewel er zichtbaar geen enkel contact meer is tussen Jona en de
bemanning, er loopt geestelijk gezien een directe lijn van het ingewand van de
grote zeevis naar het dek van het schip. De bemanning “vreesde de HERE met grote vrees”. Terwijl Jona bidt:
“...met lofzegging wil ik aan U offeren; wat ik beloofd heb, wil ik
betalen”, wordt aan boord in dezelfde geest een aanbiddingsdienst
gehouden. Zij offeren aan de HERE
en doen Hem geloften.28 Onder water ‘sterft’ Jona aan zijn
eigenwijsheid, boven water verrijst ‘leven uit de doden’!
Er
is bij een groeiend aantal predikers en gelovigen uit andere volken een
verbazingwekkend heldere visie op de geestelijke noodtoestand van Nederland.
Er is ook veel visie op herstel. Als de God van Israël het hen ooit op het
hart legt ons als Jona in eenparig gebed op te pakken en overboord te
gooien, wil ik hen hierbij aanmoedigen en zeggen: ‘Doe het gewoon, met vrees
en beven, maar in geloof’. Als al onze eigengemaakte zekerheden verzinken en
wij voor onze ‘Schelfzee’ staan, zal achter ons de stem klinken: “Vreest
niet, houdt stand, dan zult gij de verlossing des HEREN zien”.29 Als wij als Jona de diepten
ingaan, zal de lof van God onder de volken onder ons opstijgen. Halleluja!
Jona,
psalmen en de zee
Drie
dagen lang zag Jona geen zonlicht, maan of sterren. Zelfs geen wolken, regen
of golven. Hij bevond zich in de weeë lucht van het ingewand van een vis,
die hem menselijkerwijs naar adem deed happen. Maar meer dan zijn longen
smachtten naar verse lucht, dorstte zijn hart naar Gods tegenwoordigheid. Het
gebed dat vanuit de diepten opsteeg tot God heeft Jona niet kunstig in elkaar
gezet. Dat hoefde ook niet, want het ene woord na het andere borrelde vanuit
het diepst van zijn angstig gemoed op uit de schatkamer van zijn angstig hart.
Terwijl zeewier zich om zijn hoofd wond, beseft hij dat niet de mensen, maar
de Heer zelf hem in de diepte geworpen had: “...al uw brandingen en uw
golven gingen over mij heen”. Israëls psalmen deden Jona zelfs in de diepe
zee het hoofd boven water houden. Zoals de lofzang van Maria is het gebed van
Jona op de psalmen geënt.30 Wat een geweldige rijkdom is ons, ook
als natie, in de psalmen gegeven en het zijn...’de lofzangen van Israël’.
Het wordt tijd dat wij onze wortels gaan herkennen, hoewel het er naar uitziet
dat, pas als de hele aarde schudt als een dronken man, in vervulling gaat:
“Daarginds verheft men zijn stem en jubelt;
over de majesteit des HEREN
juicht men van de zee af.
Eert daarom de HERE
in de streken des lichts;
in de kustlanden der zee de naam van de HERE,
de God van Israël.
Van de zoom der aarde horen wij psalmen:
heerlijkheid voor de
rechtvaardige”31
Jona
en Jezus
Jona
zat letterlijk opgesloten in de vis. De ‘grendelen’ die de zee van de
aarde scheidden, gingen voor hem dicht. Hij beleefde het als was hij in het
dodenrijk. “Wie zal U loven in het dodenrijk?” Toch kon hij getuigen:
“Toen trokt Gij mijn leven uit de groeve omhoog”.32 Beproeving
en loutering kan zwaar zijn. God heeft Israël als natie en Zijn rechtvaardigen
menigmaal langs afgronden gevoerd. Toch blijft er, zoals eens werd opgemerkt,
altijd minstens een steenworp afstand tussen Jezus’ nood en onze nood! Drie
dagen in de vis – veertig jaren beproefd in de woestijn – of zelfs veertig
jaren van zware gevangenschap, zoals de Chinese broeder Simon Zao doormaakte
– zijn niet te vergelijken met de drie uren durende God verlatenheid van
de Here Jezus op Golgotha.
Hoewel
Jona, geboren en hoogstwaarschijnlijk ook begraven vlakbij Nazareth, voor
Jezus het enige teken is dat God “aan het boos en overspelig geslacht”
geeft, is er een wereld van verschil tussen die twee. Jona ging na drie dagen
en drie nachten met tegenzin naar Ninevé en... de stad werd gered.
Jezus koos bereidwillig de weg van de uiterste vernedering, tot de
kruisdood toe en...baande zo de weg tot verlossing van gans Israël en de
volken!
Jona
was zijn oude natuur niet echt kwijtgeraakt, zelfs niet na drie dagen
en drie nachten onder water geweest te zijn. Maar Jezus heeft onze oude
mens mee gekruisigd, ja zelfs meegenomen in Zijn graf. Wie Jezus aanvaardt
mag weten: “...het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen”.33
“Ziet,
meer dan Jona is hier!
Alles
wat Nederland nodig heeft is JEZUS! Hij, die overwon als Leeuw van Juda door
het Lam te zijn.
Alles
wat de Gemeente nodig heeft is: grotere liefde en diepere openbaring van de
Here Jezus!
Alles
wat u, jij en ik nodig hebben is: te sterven aan ons zelf en te groeien in
HEM!
Bent
u bereid dit gebed met mij mee te bidden?
‘Barmhartige
Vader! Ik leg mijn hele leven voor U neer.
Ik
weet dat ik allsbehalve volmaakt ben.
Ik
vraag U niet mij mijn zin te geven. Maar ik bid U, mogen wij de komende tijd
meer op Uw Zoon gaan lijken?
En
als daarvoor een weg van loutering, pijn, diepgaande aanpak van onze trots en
hoogmoed nodig is, ga Uw gang!
Wij
weten dat U geen zondaar, die bij het kruis van Uw Zoon neerknielt, ooit zult
afwijzen.Dank U voor de genade van het vuur van Uw loutering.
Vergeef
ons, als wij soms Uw lieflijke tuchtiging als veroordeling ervaren. Uw hand
omgeeft ons, zelfs als U ons door diepe wateren voert.
Wij
zullen nooit ergens zijn waar Uw Zoon niet was of is.
En
als wij alles gegeven hebben wat wij hadden, zullen wij met Uw knecht Abraham
belijden:
“Op
de berg des HEREN zal het voorzien worden”. AMEN!
J.den Admirant
1
De Oegandese prediker, John Mulinde, die een centrale rol heeft
gespeeld in de geestelijk herleving in Oeganda, zei dit op een
internationale gebedsconferentie in Jeruzalem, najaar 2000
2 Mattheüs 12:39-41
3 II Koningen 14:25
4 II Koningen 14:27 (St.Vert.)
5 Jesaja 7:8; Hosea 1:6-9
6 Jona 4:1,2
7 Deuteronomium 32:21;
Romeinen 10:19,11:13,14; Lucas 4:24-28; Handelingen 13:45
8 Lucas 15:30, (11-32)
9 Mattheüs 20:15
10
II Koningen 14:25; Jozua 19:13
11
Genesis 49:13
12
Deuteronomium 33:18,19
13
Numeri 2:1-9
14
Genesis 12:3
15
Genesis 49:13
16
Deuteronomium 28:43,44; Jenö Sebök schreef n.a.v. deze tekst een
indrukwekkend artikel in het Septembernummer.2004 van ‘De Oogst’
17
Zie hierover het aangrijpende verslag in ‘Leviatan’ door Bart
Spruijt - (ook internet: http//home.wxs.nl/~vdbroeke)
18
Psalm 50:1-3
19
Vgl.o.a. Numeri 16:47; Joël 2:15-18; Handelingen 5:12,13
20
Meer hierover in ‘Vaders erfenis’, een vers voor vers-verklaring
van de profetische gelijkenis over de twee zonen (Lucas 15:11-36) door
schrijver dezes
21
Jesaja 25:6-8; Mattheüs 22:1-14; Openbaring 19:6-9
22
Jona 1:8
23
Zie o.m. Exodus 1:15,16,19; I Samuël 4:6-9
24
Jona 1:12
25
Dr. K.H.Miskotte, ‘Als de goden zwijgen’, blz.350
26
Comm.Old Testament, dl.10; Minor prophets Keil-Delitsch, blz.385
27
Jona 1:14
28
Vgl. Jona 2:9 met Jona 1:16!
29
Exodus 14:13; Jona 2:9
30
In Jona 2 klinken de volgende psalmen door: in vers 3a, Psalm 18:7 en
120:1; in vers 4b, Psalm 42:8; in vers 5a, Psalm 31:23; in vers 5b, Psalm 5:8;
in vers 6a, Psalm 69:2 en Psalm 18:5; in vers 8a, Psalm 142:3 of Psalm 143:3;
in vers 8b, Psalm 18:7 en Psalm 88:3; in vers 9a, Psalm 31:7 en in vers 10,
Psalm 42:5 en Psalm 50:14 en 23
31
Jesaja 24:14-16
32
Jona 2:6
33
II Corinthiërs 5:17; zie ook Romeinen 6:6-11; Galaten 3:27;
Kolossenzen 3:1-11 enz.